Woelrat

Woelrat (© Wesley Overman)

De woelrat (Arvicola amphibius) komt voornamelijk voor langs schoon, stilstaand water en wordt daarom ook wel waterrat genoemd. Het heeft een dikke, ruige, glanzende vacht en heeft een kop-romp lengte van 120mm.

Uiterlijke kenmerken

>

Uiterlijk

De woelrat heeft een dikke, ruige, glanzende vacht die op de rug grijzig bruin, roodbruin of donkerbruin is, op de buik licht- tot donkerder grijs en op de flanken met lichtbehaarde vlekjes. Sommige dieren zijn zwart. De woelrat heeft een gedrongen bouw met korte poten en een stompe snuit. Zijn staart is voor een woelmuis lang (55-70% van de lichaamslengte) en behaard. De voorvoeten hebben vier tenen, de achterpoten vijf en alle tenen hebben scherpe nagels. De oren zijn klein en in de vacht verborgen en de ogen donker. De snijtanden zijn lang en geel. De snuit heeft een bruine neusspiegel met lange lichtgekleurde snorharen.

Verwarring kan optreden met de bruine rat en de muskusrat. Jonge exemplaren van de soort kunnen op noordse woelmuizen lijken.

 

Afmetingen

lengte kop-romp: 120-230 mm
lengte staart: 70-160 mm
gewicht: 60-295gram, tot 320gram voor de winter

Mannetjes kunnen iets groter worden dan vrouwtjes, maar er is weinig verschil. In het zuiden van het verspreidingsgebied zijn de dieren kleiner en lichter gekleurd en in Groot-Brittannië zijn ze juist iets groter.

Ecologie

>

Leefgebied en verspreiding

De woelrat komt met name voor in de buurt van schoon, stilstaand zoet water, zoals beken, rivieren, sloten, greppels en meren. Hij heeft een voorkeur voor gebieden met een gelijkmatige waterstand met steile oevers die begroeid zijn en die meerdere vegetatielagen hebben.

De oever moet maximaal 1 meter hoog zijn en het water minimaal 20 cm diep. Hij kan ook aangetroffen worden verder weg van het water, in boomgaarden en op akkerland, maar dan vaak ondergronds in gangenstelsels. In de Alpen leeft hij tot 2400 m en in de Pyreneeën tot 1400 m hoogte.

De woelrat komt in bijna geheel Europa voor, behalve in Ierland, het westen en uiterste zuiden van Frankrijk, een groot deel van het Iberisch Schiereiland en de zuidelijke delen van Italië en het zuiden van voormalig Joegoslavië. In Nederland komt de woelrat overal voor, behalve op de Waddeneilanden.

 

Leefwijze en voedsel

De woelrat is overdag en ‘s nachts actief gedurende verschillende activiteitsperioden van telkens 2 á 3 uur, vooral in de schemering. Hij kan uitstekend zwemmen. Hij zwemt met alle vier zijn poten, waarbij het lichaam 5 cm uit het water steekt. Bij het zwemmen ontstaat een V-vormig golfpatroon en kan hij een snelheid van 50 cm per seconde halen. Hij kan ook goed duiken, tot 1,5 minuut lang onder water blijven en daarbij 1,5 meter diep en 7 m ver komen. Hij kan niet goed klimmen, maar wel heel goed graven met tanden en poten. Zijn reukvermogen is goed ontwikkeld.

De woelrat is voornamelijk een planteneter. Zijn menu bestaat voor 95% uit stengels van kruiden, grassen, zeggen en wortels van kruiden en bomen. Hij eet met name de onderste delen van de stengels en de delen rond de knoppen, zelden de bloemen, zaden of vruchten. De woelrat eet ook landbouwgewassen. Ook vreet een woelrat aan noten, pitten en dennen- en sparrenkegels en hij eet af en toe insecten, afgevallen fruit, soms vis en schelpen. Per dag eet de woelrat ongeveer 80% van zijn eigen lichaamsgewicht. Hij bewaart wortels en noten in voorraadkamers in ondergrondse gangen. Als een woelrat eet, zit hij op zijn achterzijde, waarbij hij met de voorpoten het voedsel naar de bek brengt. Ze kunnen ook vanuit hun ondergrondse gangencomplex planten van onderaf naar binnen trekken.

Het leefgebied van de woelrat ligt langs een rivieroever en is dus lijnvormig. Het leefgebied van een mannetje is 170 meter lang (maximaal 500 m), dat van een vrouwtje 120 meter (maximaal 200 m), maar meestal minder. Een mannetje blijft zijn hele leven in hetzelfde leefgebied, terwijl een vrouwtje soms verhuist. In de winter kan een vrouwtje een hol delen met haar dochters en een of meerdere onverwante mannetjes. In de voortplantingstijd bezetten vrouwtjes territoria, die elkaar bij hoge dichtheden kunnen overlappen. De dichtheid hangt af van de periode en kan variëren van 3 tot meer dan 150 (jonge) dieren per kilometer oeverlengte.

De woelrat graaft aan de slootkant schuin oplopend holen bestaande uit een zeer uitgebreid ondergronds gangenstelsel, van soms wel 100 meter lang en tot 1 meter diep. Dit doet hij met zijn poten en voortanden. In dit gangenstelsel bevinden zich voorraadkamers en nesten. Deze nesten zijn bekleed met dicht gras. Soms maken woelratten bovengrondse nesten. Deze hebben een diameter van 20-25cm, zijn gebouwd van (schijn)grassen en liggen in het riet of op drijvende waterplanten.

 

Voortplanting en leeftijd

De voortplantingstijd van de woelrat loopt van maart tot september-oktober. Vrouwtjes zijn monogaam, terwijl mannetjes 2 tot 3 partners kunnen hebben. Na een draagtijd van ongeveer 3 weken, worden 5 – 6 (14) jongen geboren. Ze worden 2 weken gezoogd en daarna verlaten ze het nest. Al snel kunnen ze deelnemen aan de voortplanting; mannetjes na 50 dagen, vrouwtjes na 70 dagen. Er zijn gemiddeld 5 worpen per jaar.
Een woelrat wordt gemiddeld 18 maanden oud, maximaal 3 jaar en in gevangenschap kan hij vijf jaar oud worden.

Bedreiging en bescherming

>

De woelrat heeft veel natuurlijke vijanden. Dit zijn roofdieren zoals hermelijn, bunzing, nerts, otter, vos, das, kat, uilen, reigers en snoeken. Jonge woelratten worden soms gegeten door bruine rat. Daarnaast vormt de mens een bedreiging voor de woelrat. In waterrijke streken in land- en tuinbouwgebieden wordt hij gezien als een plaagdier en daarom bestreden. Schade aan boomgaarden en tuinen is geringer naarmate de bodemvegetatie korter is.

Waarnemen

>

Geluid

Woelratten zijn meestal erg stil. Bij angst maken de dieren een raspend ´krik-krik’ geluid, bij gevechten een merelachtig geschetter. Ook maken ze af en toe scherpe, korte kreten.

 

Vraatsporen

Ondergrondse vraat wordt bovengronds zichtbaar door het verwelken en/of bruin worden van de plant. Afgeknaagde stengels van water- en oeverplanten kunnen het werk zijn van woelratten. In de winter knagen ze ook wel aan boomwortels van wel 20 tot 30 cm dik. Bomen komen hierdoor los te staan en kunnen omvallen. Er kunnen veel sporen van vraat gevonden worden, maar hierbij is verwarring met andere knaagdieren of insectenlarven mogelijk.

 

Uitwerpselen

Uitwerpselen van de woelrat zijn klein en cilindrisch van vorm met stompe polen. Ze zijn 7-10 mm lang en 3-4 mm breed. . Vers zijn ze beigebruin tot donkerbruin (met groenige tint), oud zijn ze zwart. De keutels zijn te vinden op plekken waar de woelrat het water in of uitgaat.

 

Loopsporen

Pootafdrukken van de voorvoet van de woelrat hebben vier tenen en zijn 15 mm breed en lang. Die van de achtervoet hebben vijf tenen en zijn 10-15 mm breed en 20-33 mm lang. De nagels zijn in een afdruk ook vaak duidelijk te zien omdat het dier wat groter en zwaarder is en leeft langs modderige oevers. Bij stap is de afstand tussen de verschillende afdrukken 60-90 mm. Woelratten maken wissels van 4 tot 9 cm breed vaak dwars op oevers. De loopsporen zijn lastig te onderscheiden van die van de bruine en zwarte rat.

 

Graafsporen

Graafsporen in oevers van waterwegen zijn makkelijk te vinden, maar vaak moeilijk te onderscheiden van die van andere knaagdieren.

 

Vangen

De woelrat is makkelijk te vangen met valbekers op looppaden.

 

Braakballen

In braakballen van kerkuil en ransuil komen prooiresten van de woelrat voor.

 

Zicht

In het water vormt de woelrat een duidelijk V-spoor en is herkenbaar aan de stompe snuit en het lijf dat hoog boven het water uitsteekt. Is daarmee goed te onderscheiden van de bruine rat.