Witsnuitdolfijn

Witsnuitdolfijn (© Wesley Overman)

De witsnuitdolfijn (Lagenorhynchus albirostris ) heeft een kop-romp lengte van 240-315 centimeter en een karakteristiek zwart-grijs-wit kleurpatroon waarmee hij op zee goed te herkennen is. De witsnuitdolfijn leeft in kleine groepjes van 2 tot 6 dieren meestal op meer dan 10 kilometer van de kust. Voor meer informatie zie "Leefwijze en ecologie".

Uiterlijke kenmerken

>

Uiterlijk

De witsnuitdolfijn heeft een groot, robuust lichaam en een karakteristiek zwart-grijs-wit kleurpatroon waarmee hij op zee goed te herkennen is. De witsnuitdolfijn heef een zwarte tot grijze rug, een witte tot lichtgrijze buik en op de zijden donkergrijze vlekken met daaromheen lichtere vlekken. Vooral de lichtgrijze ´zadelvlek´ achter de rugvin is zeer bruikbaar als determinatiekenmerk. Hij heeft een korte, brede snuit die meestal wit is, maar ook wit met zwart of grijs kan zijn (vooral bij soortgenoten aan de westkant van de Atlantische oceaan). De rugvin is lang, hol en sikkelvorming, met een scherpe punt, midden op de rug. Rugvin, staart en flippers zijn zwart. In zowel zijn onder- als bovenkaak heeft hij 22-25 kegelvormige tanden. Hij heeft relatief kleine, donkere ogen en inwendige oren.

De witsnuitdolfijn wordt vaak verward met de witflankdolfijn, die in ons deel van de Noordzee slechts een dwaalgast is. Aangezien de witsnuitdolfijn en de witflankdolfijn in gemengde scholen zwemmen is bij grote groepen moeilijk in te schatten hoeveel van welke soort aanwezig zijn. De witflankdolfijn is iets slanker en heeft een geheel donkere rug terwijl de witflankdolfijn een licht "zadel" heeft achter de rugvin.

 

Afmetingen

lengte: mannetje 2,40 – 3,15 vrouwtje 2,40 – 3 m
pasgeboren 1,2- -1,60 m.
gewicht: volwassen: 180 - 275 kg, pasgeboren: ± 40 kg

Ecologie

>

Leefgebied en verspreiding

De witsnuitdolfijn leeft in de open zee, meestal meer dan 10km van de kust in koele, gematigde en subpolaire wateren met temperaturen tussen de 6 en 20 graden Celsius en een diepte tot enkele honderden meters.

De witsnuitdolfijn is endemisch voor (komt specifiek voor in) het gematigde en subarctische deel van de Noord-Atlantische Oceaan en komt voor tot aan de zuidwestpunt van Ierland maar ook in en nabij de Davisstraat (bij Groenland), Kaap Cod (bij Boston), Barentszee en de Baltische zee. De verspreiding hangt grotendeels samen met het continentale plat (< 300 m diep). De soort kan in de gehele Noordzee aangetroffen worden, maar voornamelijk in het noordwestelijke deel ervan.

Op basis van strandingen lijkt het erop dat de witsnuitdolfijnen voor 1940 nagenoeg niet in onze (kust)wateren voorkwam. In de jaren ’40-’60 nam het aantal strandingen toe om gestaag te blijven stijgen tot de jaren ’90. In het afgelopen decennium (2000-2009) daalde dit aantal licht.

Witsnuitdolfijnen worden beschouwd als regelmatige gast (jaarlijks met minimaal 50 individuen) in de Nederlandse (kust)wateren. De feitelijke voortplantingsgebieden liggen echter buiten de Nederlandse wateren. Soms worden bij ons op de kust pasgeboren jongen of zwangere vrouwtjes waargenomen. Het feit dat zij op de kust belanden geeft aan dat er iets mis met ze is. De jonge kalfjes die in onze kustwateren worden gezien zijn al dermate oud dat ze het hele Nederlands Continentaal Plat (NCP) overgezwommen kunnen zijn.

 

Leefwijze en voedsel

De witsnuitdolfijn leeft in kleine groepjes van 2 tot 6 dieren. Bij uitzondering kan een groep uit meer dieren bestaan, maar zelden wordt een groep groter dan 100 dieren waargenomen. Soms komen gemengde groepen voor van witsnuitdolfijnen met andere soorten, zoals de witflankdolfijn en de tuimelaar.

Witsnuitdolfijnen zijn actieve dieren die snel en krachtig kunnen zwemmen, waarbij veel schuim ontstaat en hun sikkelvormige rugvin goed zichtbaar is. Dit wisselen ze af met trage bewegingen, waarbij allerlei kanten op gezwommen wordt, meestal kris kras door elkaar heen. Witsnuitdolfijnen zwemmen graag voor de boeg van schepen mee, maar meestal niet veel langer dan enkele minuten. Witsnuitdolfijn kunnen verticale sprongen uit het water omhoog (´breaching´) maken, waarbij ze op de rug, buik of flank landen. Meestal blijft het bij drie of vier sprongen achter elkaar, waarna de dieren weer gewoon gaan zwemmen. Regelmatige, horizontale sprongen (zoals bij tuimelaars of gewone dolfijnen) worden eigenlijk nooit gezien.

De witsnuitdolfijn kan in ieder geval tot 215 m diep duiken en ongeveer 6 minuten onder water blijven. Indien de dieren niet diep duiken komen ze gemiddeld om de 20 seconden boven water om adem te halen. De witsnuitdolfijn zwemt graag voor de boeg van schepen mee. Vanaf een jacht of motorboot kan de dolfijn soms op enkele meters afstand worden gezien.

Het voedsel van witsnuitdolfijnen verschilt per gebied en is waarschijnlijk afhankelijk van de beschikbaarheid. Boven dien zijn ze niet kieskeurig. Ze eten voornamelijk schoolvormende vissen, zoals wijting, kabeljauw, schelvis, heek, haring, (hors)makreel en inktvis. Maar ook schaaldieren en andere ongewervelden worden door witsnuitdolfijnen gegeten. In de Noordzee bestaat het grootste gedeelte van hun voedsel uit makreel, haring, kabeljauw, wijting en inktvis.

Witsnuitdolfijnen maken tijdens het jagen gebruik van echolocatie (sonar) en daarnaast kunnen ze fluittonen maken. Daarnaast produceren ze geluid door uit het water springen of met de staart op het water te slaan. Hiermee kunnen ze contact maken met soortgenoten of ze kleine groepjes vissen bijeen drijven om zo hun voedsel te bemachtigen. Het zwart-witpatroon van het dier veroorzaakt onder water lichtschitteringen waar vissen van schrikken. De dieren maken hier handig gebruik van om een school vissen snel tot een compacte ‘bal’ te vormen.

 

Territorium en verblijfplaats

De witsnuitdolfijn is een soort van open zee. Vooral op 10 tot 50 km afstand van de kust is deze het meeste waar te nemen. Kleine kalfjes worden bij Nederland zelden gezien. Tijdens de voortplantingsperiode (mei-september) zwemmen witsnuitdolfijnen dan ook waarschijnlijk voor hen meer voedselrijke delen van de Noordzee. Over het algemeen liggen deze in het Britse deel van de Noordzee.

 

Voortplanting en leeftijd

De paartijd van de witsnuitdolfijn valt in de zomer en na een draagtijd van 10 maanden worden de jongen tussen september van het daaropvolgende jaar geboren. Het jong (ook wel kalf genoemd) weegt ongeveer 40kg en is 1,2-1,6m lang. Het jong wordt gezoogd, maar het is onbekend voor hoe lang. Het jonge kalfje heeft nog niet het kenmerkende vlekkenpatroon. De verspreiding tijdens de zomer, de periode waarin kalfjes geboren worden, wijkt nauwelijks af van de verspreiding in de rest van het jaar. De witsnuitdolfijn is geslachtsrijp als hij een lengte van 1,95m heeft. De witsnuitdolfijn kan naar verwachting tot 25 jaar oud worden.

Bedreiging en bescherming

>

De belangrijkste bedreigingen voor deze soort worden veroorzaakt door de mens. Soms worden ze (voor consumptie) gevangen door bewoners van de Faröer Eilanden, Noorwegen, IJsland, Groenland, Newfoundland en Labrador. Andere bedreigingen zijn het verstrikt raken in visnetten, chemische verontreiniging door zware metalen, DDT en PCB's, overbevissing en temperatuurstijging van de leefwateren.

Waarnemen

>

Geluid

Er is weinig bekend over het geluid dat witsnuitdolfijnen maken. Wel is bekend dat ze sonargeluid gebruiken voor het vinden van voedsel. Waarschijnlijk zullen witsnuitdolfijnen, net als andere dolfijnensoorten, ook tal van sociale roepjes hebben.

 

Waarnemen

In de Ierse, Schotse en Noorse wateren en in de omgeving van IJsland is de witsnuitdolfijn vrij algemeen, waardoor hier een grotere kans is op waarnemen. In de Zuidelijke Noordzee is de dolfijn minder talrijk. Witsnuitdolfijnen spoelen in alle maanden van het jaar aan, met een piek in de wintermaanden. Soms zijn dan in netten verstrikte exemplaren maar vaak is de doodsoorzaak niet bekend. Een onbepaald deel zal vanwege leeftijd of ziekten zijn gestorven.