Sikahert

Sikahert (© Maaike Plomp)

Het sikahert (Cervus nippon) is eind van de 19de eeuw als parkhert in West- en Midden-Europa geïntroduceerd. Later is het in diverse landen in Europa verwilderd en het komt nu voor in onder andere Engeland, Ierland, Frankrijk, Duitsland, Polen en Denemarken. In Nederland worden zeer zelden dieren gemeld.

Uiterlijke kenmerken

>

Uiterlijk

Het sikahert lijkt op het damhert, maar is kleiner. Het sikahert heeft een roodbruine zomervacht met rijen geelwitte vlekjes. ’s Winters hebben mannetjes een donkergrijze tot zwarte wintervacht en vrouwtjes een lichtbruine of grijze vacht, zonder of met slechts onduidelijke vlekken. Hindes met kalf houden hun zomervacht langer dan hindes zonder kalf. Beide geslachten hebben een manenkraag, die ze ook in de winter behouden. De oren zijn afgerond en lichte en donkere haren op het voorhoofd vormen een soort frons. Er loopt een vale aalstreep vanaf de staartwortel over het achterste deel van de rug. Op de achterpoten bevinden zich kussenvormige geurklieren. Beide geslachten hebben een zwarte lipvlek. Het sikahert heeft een korte, witte staart met donkere streep en een opvallende spiegel - wit met donkere omranding. Het sikakalf is lichtbruinrood met flanken die minder sterk gevlekt zijn dan die van het damhert- en edelhertkalf. De witte vlekken verdwijnen na enkele maanden. De donkere rand om de spiegel verschijnt pas na 2 maanden. Het sikahert ruit tweemaal, in het voor- en najaar.

Het gewei van een mannelijk sikahert lijkt op dat van het edelhert maar met minder vertakkingen. De hinde is geweiloos.

 

Afmetingen

lengte kop-romp: mannetje 1,25 – 1,60 mm vrouwtje 1,10 – 1,45 cm
schofthoogte: mannetje 80 - 95, vrouwtje 70 – 85 cm
lengte staart: 10-17 cm
gewicht: 60 - 65 kg
gewei: mannetje 28-81 cm, vrouwtje geweiloos
oor: 9 – 14 cm

Het mannetje is iets groter dan het vrouwtje. 

Ecologie

>

Leefgebied en verspreiding

Sikaherten geven de voorkeur aan vochtig of zelfs drassig loof- en gemengde bossen met een ondergroei van struikgewas. Ze komen echter ook in naaldbossen op vochtige bodem voor. Het sikahert leeft niet zoals het edelhert in geheel open terrein.  

 

Leefwijze en voedsel

Sikaherten zijn het actiefst in de ochtend-, avondschemering en in mindere mate ’s nachts, waarbij ze de dekking van de ondergroei verlaten om te grazen.

Het voedsel bestaat uit gras en zegge, kruiden, twijgjes en verse scheuten, vruchten en bessen zoals bramen en frambozen. Ook eten ze eikels, boomschors en paddenstoelen en landbouwgewassen als maïs, tarwe, bieten en tuinbonen. Het dieet van het sikahert is grotendeels gelijk aan dat van het edelhert maar met meer kruiden en minder loofblad. Het dier kan zich met taaier en voedselarmer materiaal voeden dan het edelhert. 

 

Territorium en verblijfplaats

Het sikahert kan goed zwemmen, verre (tot zes meter) en hoge (tot twee meter) sprongen maken, maar heeft onvoldoende uithoudingsvermogen om lange afstanden af te leggen.

De mannetjes leven solitair of in kleine groepjes. De vrouwtjes en kalveren leven in een roedel. Na de bronsttijd leven de dieren tot maart in gemengde roedels waarna de geslachten zich scheiden. Aan het einde van de winter zonderen de mannelijke kalveren zich af en voegen zich na enige tijd bij de hertenroedel. De jonge vrouwelijke kalveren worden kort voor de geboorte van het volgende jong door de moeder verjaagd. Ze voegen zich dan bij de roedel van andere jaarlingen en niet-drachtige hindes.

Bronstige bokken markeren hun territorium door met hun gewei tegen struikgewas te slaan en langs boomschors te vegen, waardoor schilschade ontstaat. De geweikrassen zijn vaak diep ingekerfd, iets dat bij andere hertensoorten minder vaak voorkomt.

Als ze onraad bespeuren, wenden ze onmiddellijk de kop naar het gevaar toe en gaan hun spiegelharen rechtop staan, zodat de vlek sterk opvalt. Het is een alarmsignaal en tevens gids voor andere herten bij het vluchten. 

 

Voortplanting en leeftijd

De bronsttijd begint eind september en duurt tot eind november. De mannetjes gaan hun territorium aanduiden. Dit doen ze door met hun gewei tegen de struiken te slaan en langs de bomen te schuren. Ook met geurklieren op de achterpoten geven ze hun territorium aan. De vrouwtjes trekken naar de mannetjes toe en leven dan tijdelijk in het leefgebied van een mannetje. Met rivalen wordt strijd geleverd om de hinden en er worden harems gevormd. Als één of beide rivalen het gewei kwijt is, wordt het geschil door boksen met de voorpoten in plaats van stoten met het gewei beslecht.

De mannetjes verliezen 20 tot 30% van hun lichaamsgewicht tijdens de paartijd die zes weken duurt. De vrouwtjes verliezen bijna geen gewicht tijdens de paartijd.

Na een draagtijd van 7,5 maanden wordt er in mei (of juni) één jong geboren, soms twee. De geboorte vindt op een beschutte plek plaats. Het kalf ligt na de geboorte in het gras of volgt de moeder op de voet. De zoogtijd duurt zes tot tien maanden, hoewel het jong al na een maand gaat grazen. Het wordt tot een jaar lang verzorgd door de moeder, waarna het zelfstandig gaat leven. Het kalf is na zestien tot achttien maanden geslachtsrijp en na vier jaar volgroeid.

Sikaherten worden ongeveer 10 jaar oud. De oudste bekende leeftijd is ongeveer 15 jaar. 

Bedreiging en bescherming

>

Door hun nauwe verwantschap kruisen sikaherten en edelherten met elkaar en brengen dan vruchtbare jongen voort. Op plaatsen waar beide soorten voorkomen, wordt de genetische zuiverheid van beide rassen bedreigd.

Waarnemen

>

Geluid

Sikaherten kennen een breed scala aan geluiden. Snurkende, mekkerende en blaffende geluiden komen voor, evenals zacht gefluister en een alarmroep. Bij gevechten knarsende dreigtonen en gemiauw. De jongen en de vrouwtjes maken zachte piepgeluidjes als ze met elkaar 'praten'.
De bronstroep van het sikahert is geheel anders dan van het edelhert en bestaat uit een ongeveer 4 seconden lange fluittoon, die laag begint, steeds harder en hoger wordt en aan het einde weer lager en zachter is. Deze roep wordt verscheidene malen herhaald.

 

Vraatsporen

Soms is schilschade zichtbaar wanneer bronstige bokken hun territorium markeren in de bronsttijd door met hun gewei tegen struikgewas te slaan en langs boomschors te vegen.

 

Uitwerpselen

De keutels lijken sterk op die van (een klein) edelhert, damhert of ree.

 

Loopsporen

De prent van een sikahert is circa 70 mm lang en circa 40 mm breed, makkelijk te verwarren met dat van ree, damhert of klein edelhert. Het is qua vorm het meest vergelijkbaar met dat van een edelhert maar dan slanker.