Otter

Otter (© Hugh Jansman)

De otter (Lutra lutra) behoort tot de familie der marterachtigen. Hij leeft in oeverzones met voldoende dekking en rust. De otter was verdwenen in Nederland maar is sinds 2002 weer uitgezet. Momenteel komt de otter weer voor in Noordwest-Overijssel, Friesland, Gelderland en langs de Overijsselse Vecht.

Uiterlijke kenmerken

>

Uiterlijk

De otter heeft een glanzende, fluweelachtige, dichte donkerbruine vacht met een licht gekleurde, zandkleurige, onderkant en soms met een licht gekleurd vlekkenpatroon op de kin en rond de lippen. Hij heeft een lange bovenvacht die zorgt dat de dichte ondervacht een isolerende luchtlaag vasthoudt en droog blijft onder water.

De otter heeft een gestroomlijnd, lang lichaam met een krachtige, spits toelopende ronde staart en korte, sterke poten met zwemvliezen tussen de tenen van zowel zijn achter- als voorpoten. Zijn ogen, neusgaten en kleine oren liggen in één lijn bovenop de platte kop met brede snuit zodat deze bij het zwemmen boven het water steken De otter heeft een sterk ontwikkelde neus (1000 x sterker dan de mens), zeer gevoelige snorharen en stevige wenkbrauwen die, vooral in troebel water, dienst doen als voelsprieten.

 

Afmetingen

lengte kop-romp: 50 – 95 cm
lengte staart: 26 – 55 cm
gewicht: mannetjes 10 - 12 kg, vrouwtjes 5 - 7 kg

Het mannetje heeft een zwaardere kop en een dikkere hals en is groter en zwaarder dan het vrouwtje.

Ecologie

>

Leefgebied en verspreiding

De otter komt oorspronkelijk in geheel Europa voor (met uitzondering van IJsland en eilanden in de Middellandse Zee), het grootste gedeelte van Azië en in Noordwest-Afrika.
In Nederland is het dier in de tachtiger jaren uitgestorven en ook in andere landen is de otter in aantal afgenomen. Sinds 2002 is in Nederland begonnen met herintroductie. Momenteel komt de otter weer voor in Noordwest-Overijssel, Friesland, Gelderland en langs de Overijsselse Vecht.
De otter leeft in oeverzones met voldoende dekking en rust van allerlei soorten stromende wateren, zoals meren, plassen, rivieren, kanalen, beken en moerassen. Maar ook in kustzones, rotskusten en estuaria. In Tibet komt de otter zelfs in de bergen voor.
Ze leven in schoon en zoet water, waar voldoende voedsel, dekking en rust is. In brakke en zoute wateren (in Europa) komen ze alleen voor als er zoet water in de omgeving is, omdat ze dat nodig hebben voor het schoonhouden van hun pels en als drinkwater.

 

Leefwijze en voedsel

De otter is een schuw dier en meestal 's nachts actief maar liggen wel eens overdag te zonnebaden. De otter kan uitstekend zwemmen en duiken. Meestal duikt hij minder dan 1 minuut onder water maar kan tot 4 minuten onderduiken. Bij het zwemmen en duiken functioneert de staart als roer. Oren en neusgaten gaan onder water dicht; de ogen blijven open. Net als alle martersoorten heeft ook de otter een opvallende manier om zijn omgeving te onderzoeken; het zogenaamde 'kegelen'. Hij staat dan op de achterpoten met het lichaam rechtop, op de uitkijk.

De otter eet voornamelijk vissen kleiner dan 25 cm, zoals paling, baars, snoek, karper en zalm. Hij eet ook amfibieën, watervogels, woelratten, ratten, rivierkreeften, krabben, wormen en grotere insecten. In de winter zoekt de otter zijn voedsel in stromend water of meren met wakken. In helder water spoort de otter zijn prooi met zijn ogen op. In troebel water schakelt de otter over op zijn snorharen, waarmee hij de bewegingen van vissen in het water kan voelen. Om zijn prooi te vangen jaagt de otter het vaak op naar een stuk riet, zodat het moeilijker kan ontsnappen.

Als de otter iets heeft gevangen, neemt hij de prooi tussen zijn tanden mee om het aan het wateroppervlak op te eten. Grote vissen brengt hij, tegen de borst gedrukt, aan land om daar op te eten. Per dag eet de otter 1 tot 1,5 kilo voedsel, waarvan 80-90% uit vissen bestaat. Een otter besteedt veel tijd aan het poetsen van zijn vacht.

 

Territorium en verblijfplaats

Otters van hetzelfde geslacht leven in gescheiden leefgebieden, waarbij het territorium van één mannetje dat van een aantal vrouwtjes overlapt. De grootte hangt af van de beschikbaarheid van voedsel, dekking en de dichtheid aan otters. Zo kan een leefgebied 1-40 km oeverlengte bedragen of enkele tot tientallen km² moerasgebied beslaan. Vooral de dominante mannetjes hebben grote leefgebieden. De doorsnee van een leefgebied van mannetjes is doorgaans gemiddeld 15km en dat van vrouwtjes 7km.

Overdag verblijft de otter in een dagrustplaats die zich bevindt op oevers in dichte oevervegetaties (o.a. riet), struwelen en bosschages, maar ook in kunstmatige holten. De otters maken hierbij gebruik van boomstronken en wortelstelsels, oude holen van bijvoorbeeld muskusratten of konijnen, constructies van takken en modder gemaakt door bevers, nissen onder bruggen of betonpijpen. De rustplaatsen zijn 50-100 cm in doorsnee en worden niet bekleed. De plek kan per dag verschillen.

De nesten waar de jongen worden geworpen, liggen vaak in overstromingsvrije oeverholtes in een rustig gebied en worden regelmatig door de moeder verplaatst. De otter houdt geen winterslaap.

 

Voortplanting en leeftijd

De voortplanting van otters is afhankelijk van de beschikbaarheid van voedsel. Otters op het Europese continent krijgen meestal jongen in de lente en zomer, maar in principe kunnen ze het hele jaar door jongen krijgen.

Otters zijn na 1-2 jaar geslachtsrijp. De gemiddelde leeftijd waarop vrouwtjes voor het eerst jongen krijgen is 2 jaar. Na een verlengde draagtijd draagtijd met een werkelijke draagtijd (RD) van ongeveer 62 dagen worden de jongen geboren. De worpgrootte is meestal 2 à 3 jongen, maar soms zijn er wel 5 en soms maar 1.

De jongen worden blind en zonder tanden geboren in een met gras of mos gevoerd kraamnest. Dat bevindt zich meestal in een rustig gedeelte van het territorium van het wijfje. De jongen zijn 15 cm lang en hebben een fijne, grijze vacht. Na 35 dagen openen ze hun ogen en ze worden tot gemiddeld 16 weken gezoogd. Op een leeftijd van twee tot drie maanden krijgen ze de volwassen vacht.

Zodra de jongen die waterdichte vacht hebben, leert de moeder hen zwemmen. Jonge otters spelen graag met elkaar. Na tien tot twaalf maanden zijn ze zelfstandig, maar vaak blijven de jongen nog enkele maanden in het territorium van de moeder tot ze uiteindelijk door de moeder worden verjaagd (RD) . De vader helpt niet met het grootbrengen van de jongen. Otters worden gemiddeld 3 tot 4 jaar oud. In gevangenschap kunnen ze 15 tot 22 jaar oud, maximaal 18 jaar worden.

Bedreiging en bescherming

>

Tot begin vorige eeuw was de otter vrij algemeen in Nederland. Door verkeer, jacht, verdrinking in fuiken, gif, watervervuiling en verdwijning van geschikt biotoop verdween de otter in Nederland. Tot in 1954 de jacht definitief werd verboden, is de otter sterk bejaagd. Bij de herintroductie zijn maatregelen genomen om bedreigingen tegen te gaan, maar desondanks zijn verdrinking in fuiken, watervervuiling en verkeer nog steeds bedreigingen voor de otter. De otter heeft nauwelijks natuurlijke vijanden in Nederland, in andere landen zijn dit zeearend, wolf, beer en lynx.

Met de hervestiging van een kleine reproducerende groep dieren is in 2002 een begin gemaakt voor een mogelijk herstel van de otterpopulatie in ons land. Dit herstel zal nog mede afhankelijk zijn van verdere herintroducties en het slagen van verbindingszones met omliggende natuurgebieden.

Waarnemen

>

Geluid

De otter maakt scherpe, heldere, fluitende geluiden. Bij de paringsroep van een mannetje eindigt dit trillend. Bij onderlinge gevechten klinkt een hees, katachtig geblaas en spelende otters kunnen schreeuwen of krijsen. Wanneer otters elkaar vriendschappelijk ontmoeten maken ze regelmatige knorgeluidjes.

 

Vraatsporen

Etensresten van de otter zijn te vinden op eetplekjes aan de oever. Dit zijn vissenkoppen, schalen, resten van amfibieën, aas en afgestroopte paddenhuizen.

 

Uitwerpselen

Uitwerpselen van de otter heten spraints, hebben gevarieerde afmetingen en zijn meestal 10-15 mm dik en 2-10 cm lang. In de uitwerpselen van de otter zijn vaak visschubben te vinden, maar soms ook haren of botten. Vers zijn de uitwerpselen donkergroen tot zwart, teerachtig en vrij stevig. Hoe ouder, hoe grijzer en brozer. De typische geur, een zoete tot levertraanachtige geur, ook wel ‘koeienstallenlucht’ blijft wel behouden en is goed te ruiken.

Daarnaast produceert de otter een soort geleiachtige substantie, het zogenaamde ottergeil, wat waarschijnlijk dient om op seksueel gebied signalen af te geven. Het wordt door zowel het mannetje als het vrouwtje afgezet.

Belangrijke plekken in het territorium, markeert de otter met uitwerpselen en ottergeil. Zowel de spraints als het ottergeil zijn (vaak tezamen) te vinden op oevers en zandbanken, vaak op een wat hogere plek in het landschap (graspollen, keien in het water). Vooral ook daar waar waterstromen bij elkaar komen, naast wissels en op richels rond bruggen, duikers, steigers en andere objecten kan men ze vinden.

 

Loopsporen

Prenten zijn vooral te vinden op klei- en zandoevers en zandbanken en bij dichtgevroren water op het ijs en onder de oeverlijn. Loopsporen van de otter variëren afhankelijk van de ondergrond en de manier van voortbewegen. De voorvoet is 55 mm breed en 60-65 mm lang en de achtervoet is 55-60 mm breed en 60-90 cm lang. Van de vijf tenen zijn vaak maar drie duidelijk te zien. De nagels zijn goed herkenbaar, maar de zwemvliezen zijn alleen bij een dun laagje sneeuw of zeer zachte ondergrond te zien. Soms is een sleepspoor van de staart te zien. De otter verplaatst zich maar weinig in stap maar vaker via een afwisseling van draf en galop. Bij galopsprongen staan de vier prenten los van elkaar in een schuine lijn (de zogenaamde viersprong) met een paslengte van 40 tot 80 cm.

Wissels van otters zijn te vinden op de plek waar het dier steeds het water in- en uitgaat. Wissels liggen vooral tussen de oeverbegroeiing en in rietzomen en glijbanen zijn te vinden op hellende oevers die bedekt zijn met sneeuw of modder. De breedte van deze wissels, glijbanen en tunnels is 15-30cm. Bij steile glibberige of besneeuwde oevers maken otters graag glijbanen waar ze keer op keer vanaf glijden; schijnbaar louter als spel.