Ondergrondse woelmuis

Ondergrondse woelmuis (© Wesley Overman)

De ondergrondse woelmuis (Microtus subterraneus) behoort tot de Woelmuisachtigen. De ondergrondse woelmuis wordt ook wel wortelmuis genoemd. Het is de kleinste Europese woelmuissoort en komt vrij algemeen voor, hoewel in Nederland de meest zeldzaamste onder de woelmuizen. Verwarring met andere woelmuizen kan optreden.

Uiterlijke kenmerken

>

Uiterlijk

De ondergrondse woelmuis behoort tot de Woelmuisachtigen. Woelmuisachtigen kenmerken zich door een gedrongen, ietwat lompe bouw en een stompe kop met kleine ogen en oren. De staat is korter dan het lichaam (tot maximaal 80 % van de kop-romplengte).

De ondergrondse woelmuis heeft een zeer dichte en zachte vacht. De bovenzijde is donkerbruin tot grijs en de onderzijde is zilver- tot blauwgrijs. De staart is kort en tweekleurig. Zijn snuit is stomp met een roze neusspiegel en lange lichtgekleurde snorharen. De ogen zijn donker en zeer klein en de oren zitten vrijwel geheel in de vacht verborgen; het dier leeft grotendeels ondergronds. Aan de achterpoten heeft hij vijf tenen en aan de voorpoten vier, alle met scherpe nagels. Jonge dieren zijn donkerder gekleurd dan volwassen dieren.

Afmetingen

lengte kop-romp: 75-110 mm
lengte staart: 23-39 mm
gewicht: 11-24 g

Ecologie

>

Leefgebied en verspreiding

De ondergrondse woelmuis komt voor in Midden-Europa in een gebied dat zich uitstrekt van Zuid-Nederland en Noord-Frankrijk tot de Oekraïne en Noord-Griekenland. Hij ontbreekt onder andere op eilanden en in het grootste deel van Italië, het Iberisch Schiereiland, de Britse eilanden en Noord-Europa.

In Nederland komt hij enkel voor in Zuid-Nederland, in Zeeland, Noord-Brabant en Limburg. In de omgeving Winterswijk zijn ook ondergrondse woelmuizen aangetroffen. De ondergrondse woelmuis komt vooral voor in kleinschalig cultuurlandschap. Hij houdt van een dichte gras- of kruidlaag en zoomvegetaties zoals bermen en bomenrijen maar ook van (hooggelegen) weide- en akkerbouwland, licht (vochtig) loofbos, boomgaarden en tuinen. In naaldbossen komt hij zelden voor. In het Alpen komt hij voor tot op 2300 meter hoogte.

 

Leefwijze en voedsel

De ondergrondse woelmuis is per etmaal, dus zowel overdag als ’s nachts om de 3 á4 uur actief met langere activiteitsperioden ’s nachts. Vlak voor zonsondergang, rond middernacht, vlak na zonsopgang en midden op de dag heeft hij activiteitspieken. In gebieden waar andere woelmuizen voorkomen, mijdt de ondergrondse woelmuis deze en stemt zijn activiteitsperioden daarop af.

De ondergrondse woelmuis leeft voornamelijk ondergronds en kan dan ook goed graven. Springen en klimmen doet hij weinig. Ook kan hij zwemmen, wat hij af en toe doet. De ondergrondse woelmuis eet vrijwel uitsluitend plantaardig voedsel zoals kruidachtige planten en vooral de delen onder de grond daarvan, grassen, maar ook cultuurgewassen zoals granen, bieten, wortels, bloembollen en knollen. Ook eet hij mossen, noten en vult zijn dieet soms aan met insecten en wormen.

 

Territorium en verblijfplaats

De grootte van het leefgebied van de ondergrondse woelmuis bedraagt 50-300 m2. De ondergrondse woelmuis leeft in groepen van 5-10 dieren. Vanwege zijn korte levensduur, wordt elke zes weken de helft van de populatie vervangen. Er leven zo’n 10 tot 20 individuen per 100 m2.

De ondergrondse woelmuis graaft in een dichte gras- of strooisellaag oppervlakkige en tot 40 cm diepe gangen. Ook maken ze gebruik van gangen van andere woelmuizen en mollen. Het gangenstelsel bevat nest- en voorraadkamers. Het nest wordt gemaakt van gras, mos en wortels. . Bij neerslag worden de holen vaak afgesloten. De diameter van de gangen is ongeveer 3 cm. Het eerste deel van de gang loopt bijna loodrecht naar beneden. De ondergrondse woelmuis blijft doorgaans in een straal van 50 meter bij zijn gangenstelsel.

 

Voortplanting en leeftijd

De ondergrondse woelmuis kan zich, mits gunstige omstandigheden, vrijwel het hele jaar voortplanten. Na een draagtijd van 24-27 dagen, worden gemiddeld 3 (1-5) jongen geboren. De jongen zijn na twee tot drie weken al volgroeid en geslachtsrijp. Een vrouwtje krijgt gemiddeld 5 (soms wel 10) nesten per jaar. De ondergrondse woelmuis kan maximaal 15 maanden worden, maar meestal leeft hij korter dan een half jaar. In gevangenschap kan hij 3 jaar oud worden.

Bedreiging en bescherming

>

Natuurlijke vijanden van de ondergrondse woelmuis zijn vooral roofvogels (kerkuil, ransuil, bosuil, torenvalk, sperwer) en kleine roofdieren (wezel, hermelijn, vos, huiskat). De veldmuis schijnt een concurrent te zijn, want waar deze ontbreekt of zeldzaam is, is de ondergrondse woelmuis talrijk. Plaatselijk kan de ondergrondse woelmuis schade veroorzaken aan tuinderijen en boomgaarden, waardoor hij als hinderlijk wordt ervaren. Deze schade kan grotendeels voorkomen worden door ter plaatse het kort houden van de vegetatie.

Het achteruitgaan van het kleinschalig cultuurlandschap en versnippering van leefgebied is voor de ondergrondse woelmuis een bedreiging. Hij is dus gebaat bij het in stand houden en uitbreiden van kleinschalige en lintvormige landschapselementen.

Waarnemen

>

Geluid

De ondergrondse woelmuis is meestal zwijgzaam. Tijdens het eten en tijdens ontmoetingen met soortgenoten kan hij kwetterende geluiden maken. Jonge dieren maken hoge geluidjes.

 

Vraatsporen

Vraatsporen van de ondergrondse woelmuis zijn te vinden aan wortels van cultuurgewassen. Zo hollen ze bieten, bloembollen, wortels, knollen en dergelijke van onderaf uit. Deze knaagsporen zijn 1-2 mm breed. Ook bijten ze biezen in korte stukken en ontdoen van de groene buitenkant zodat het witte merg achterblijft. Bij hun gangen en voorraadkamers zijn voedselresten te vinden van noten, kruiden, grassen en wormen. Planten die bruin worden of snel verwerken kunnen ondergronds aangevreten zijn door de ondergrondse woelmuis.

 

Uitwerpselen

Uitwerpselen van de ondergrondse woelmuis zijn niet van die van andere kleine woelmuizen te onderscheiden. Daarbij is de kans op het vinden van uitwerpselen bijzonder klein omdat de soort veelal ondergronds leeft. De uitwerpselen zijn 2 tot 3 mm in doorsnee en 4 tot 7 mm lang met stompe polen. Afhankelijk van het gegeven voedsel en seizoen zijn ze groen tot bruin van kleur en grijsgroen wanneer uitgedroogd.

 

Loopsporen

De ondergrondse woelmuis loopt meestal in stap, waarbij de achtervoeten achter de voorvoeten terechtkomen. De grootte van de achtervoet is 13,8 tot 15,2 mm. Loopsporen zijn echter moeilijk van andere woelmuissoorten te onderscheiden.

 

Braakballen

In gebieden waar de ondergrondse woelmuis voorkomt, worden zijn prooiresten (en dan met name zijn schedel) in braakballen van kerkuil en ransuil gevonden.

 

Vangen

In live-traps kan je hem ook vangen, maar meestal lukt dat pas na enkele dagen.