Muntjak

Muntjak (© Bernadette van Noort)

De muntjak is een bijzonder dier, zowel qua uiterlijk als qua oorsprong. De muntjak is een dier dat al rondliep op deze aarde in de tijd dat er nog sabeltand-tijgers en mammoeten rondliepen. Het heeft veel diersoorten zien evolueren en/of uitsterven, maar is zelf in al die tijd nauwelijks veranderd en vaart daar wonder wel bij.
De soort komt van nature voor in Zuidoost-Azië. Hier zijn negen ondersoorten bekend, waarvan een paar vrij recent nog zijn ontdekt. Een van die soorten, de Reeves' of Chinese muntjak (Muntiacus reevesi), is begin 20e eeuw door John Russell Reeves geïntroduceerd in Engeland, waar deze soort inmiddels gevestigd is en zich verspreidt. Incidenteel komt deze muntjak ook in Nederland voor. Andere soorten komen in Europa niet voor.

Uiterlijke kenmerken

>

Kopromp-80-90 cm; schouderhoogte 43-52 cm; staart 9-17 cm; oren 7-9 cm; gewicht 9-18 kg. Mannetjes (bokken) kunnen iets groter en zwaarder worden dan vrouwtjes (hindes).

De muntjak is het kleinste hert van Europa. Het dier heeft een varkensachtige aanblik door de korte poten, het in verhouding stevige lijf en de vaak gekromde rug.
De vacht is in de zomer vrij egaal glanzend kastanjebruin, maar naar de buik toe iets lichter. In de winter wordt de vacht donkerbruin en de poten bijna zwart. De muntjak heeft wit aan de kin en een witte spiegel, die gewoonlijk door de staart bedekt wordt. De staart is vrij lang voor een hertachtige.
Op het voorhoofd heeft het vrouwtje een vliegervormige donkere vlek, die overgaat in een donkere streep over de rug. Deze streep is niet altijd even duidelijk zichtbaar. Bokken hebben meer een V-vorm die loopt over de hoog uitstekende rozenstokken, waaraan een kort gewei zit met maximaal een kleine vertakking. Het gewei wordt ieder jaar tussen mei en juli afgeworpen en groeit in de zomer opnieuw aan.
Op het hoofd zitten twee sets met geurklieren. Twee zijn streepjes van 3-4 cm lang over het voorhoofd (langs de V- of vliegervorm). De andere twee zitten in de binnenste ooghoeken en zijn goed zichtbaar.  In de bovenkaak zitten scherpe hoektanden die net buiten de lippen uitsteken. Bij de bok kunnen die bijna 4 cm worden. Bij veel oudere dieren zijn deze tanden afgebroken.

Ecologie

>

Verspreiding

15 Miljoen jaar geleden leefde de soort al in Europa, maar van de laatste 2 miljoen jaar worden fossielen alleen nog in Zuidoost-Azië gevonden.
In Engeland zijn begin 20e eeuw met name in het zuidoosten in privécollecties gehouden dieren vrijgelaten en/of ontsnapt. Toen werd de soort nog niet als schadelijk beschouwd, en met name in de oorlogen heeft de soort zich flink uit kunnen breiden. Inmiddels hebben deze dieren een gevestigde populatie die zich langzaam maar zeker verspreidt. Op sommige locaties is het muntjak zelfs algemener dan het ree.
In Frankrijk lijkt een poging tot introductie na 1890 te zijn mislukt. Over het voorkomen van loslopende exemplaren verschillen de meningen.
In Ierland worden wel muntjaks gehouden en gefokt in gevangenschap, maar in vrijheid gesignaleerde dieren worden beschouwd/ beheerd als “most unwanted”, waardoor de populatie zich niet uitbreid.
In België zijn de laatste jaren vrij veel gevalideerde waarnemingen uit het wild. Men vermoedt dat in Belgisch Limburg dieren los gelaten worden ten behoeve van de jacht. Het is goed denkbaar dat er ook exemplaren de grens oversteken en in ons land rondlopen.
In Nederland zijn tot nu toe alleen losse waarnemingen gedaan, in Noord Brabant meer dan in de rest van het land.

 

Leefwijze en voedsel

Muntjaks leven vooral in bosgebieden met dichte ondergroei. Ze passen zich snel aan aan veranderende omgeving, en komen ook in tuinen, struikachtige delen van parken en langs spoorbermen voor. Ze kunnen dicht in de buurt van mensen leven zonder opgemerkt te worden. Muntjaks kunnen slechts over een korte afstand snelheid maken en zullen dus overdag uit veiligheidsoverwegingen zelden ver uit de dekking vandaan komen. ’s Nachts wordt het struikgewas wel af en toe verlaten om voedsel te zoeken op een akker of in een boomgaard. Muntjaks zijn opportunistische voedselzoekers. Ze eten wat op dat moment voorhanden is, maar het moet wel van goede kwaliteit en gemakkelijk verteerbaar zijn. Het voedsel van de muntjak bestaat vooral uit bladeren (braam en klimop zijn favoriet) en twijgjes, boomschors, kruiden, vruchten, noten en paddenstoelen, in voedselarme maanden aangevuld met gras. Ook gewassen als bonen, kool en mais worden gegeten indien aanwezig. Muntjaks zijn een groot deel van de tijd bezig met voedsel zoeken. Voor de overige tijd liggen ze in de dekking hun voedsel te herkauwen en te rusten.
De aanwezigheid van drinkwater is alleen van belang bij warm weer. Voor de overige periodes bevat het voedsel voldoende vocht.

 

Territorium

Muntjaks worden meestal alleen gezien, incidenteel in kleine (familie)groepjes. Beide seksen zijn territoriaal, mannetjes meer dan vrouwtjes. Bij vrouwtjes overlappen de randen van de territoria regelmatig. De territoria zijn meestal niet erg groot. Bij een goed habitat met voldoende dekking en voedsel kunnen wel 15 dieren per vierkante km voorkomen. Dieren worden dan ook wel in elkaars nabijheid gezien, maar vertonen vaak nauwelijks interactie. Ze vinden het overigens wel prettig elkaars vacht te verzorgen, vooral tijdens de rui.
Wanneer bokken hun territorium verdedigen tegen soortgenoten proberen ze elkaar vooral met stoten met voorpoten, hoofd en gewei uit evenwicht te brengen en vervolgens met de slagtanden verwondingen aan te brengen. Dieren met gebroken slagtanden zijn in het nadeel en zullen meestal genoegen moeten nemen met een minder territorium.
Muntjaks komen vaak samen voor met reeën. Ze vertonen geen fysieke agressie ten opzichte van elkaar, maar zijn wel elkaars voedselconcurrenten. Als de aantallen muntjaks erg hoog zijn nemen de aantallen reeën meestal af, maar door kleine verschillen in verdeling van locaties binnen een bosgebied en in voorkeur van voedselbronnen worden echte problemen meestal vermeden.

 

Voortplanting en leeftijd

Muntjaks kunnen zich, ook in Engeland, het hele jaar door voortplanten. Vrouwtjes kunnen na het werpen van een jong vrijwel direct weer vruchtbaar worden en zijn vaak het grootste deel van hun volwassen leven drachtig. De draagtijd is ongeveer 7 maanden. Het jong wordt twee tot drie maanden gezoogd. Daarna blijft het meestal bij de moeder tot het volgende jong geboren wordt, wat meestal na 7 maanden is. Dan is het jong zelfstandig, vrouwtjes wegen dan ongeveer 10 kg en kunnen dan ook drachtig worden. Mannetjes kunnen zich voortplanten zodra ze ongeveer 12 kg wegen, meestal met een maand of negen. De overlevingskansen van de muntjak zijn hoog, ook onder jongen. Predatie door vossen is de belangrijkste doodsoorzaak onder jongen. In het wild levende muntjaks worden gemiddeld 10 jaar, met uitzonderingen van 14 jaar. In gevangenschap kunnen ze wel 16 tot 21 jaar worden. Voor een zo klein dier is dat relatief oud.

Bedreiging en bescherming

>

In Engeland heeft een volwassen muntjak weinig natuurlijke vijanden. Alleen grote honden kunnen een volwassen muntjak aan. Jonge dieren zijn een gemakkelijke prooi voor vossen, dassen en katten.
De populatie breidt zich snel uit doordat vrouwtjes vrijwel continu jongen kunnen krijgen. Ook het weer lijkt weinig problemen te vormen voor de muntjakpopulatie. Alleen in lange periodes met een dicht sneeuwdek is het lastig voor de dieren om te vluchten bij gevaar en om voldoende voedsel te vinden. Als de vetreserve op is hebben ze weinig om op terug te vallen. Bijvoeren werkt meestal niet, omdat de dieren het grove voedsel niet kunnen verteren en met een volle maag alsnog sterven.
Een belangrijke doodsoorzaak is ook het verkeer. Dit geldt vooral voor mannetjes, die vaker op zoek moeten naar een nieuw territorium.

Naast het feit dat de muntjak problemen ondervindt, wordt hij ook beschouwd als een schadelijke soort. Deze schade bestaat vooral uit (vraat)schade aan bossen (jonge aanplant en wilde bodemflora), landbouw en tuinen. Ook is er schade aan verkeer. Indirect kan de verandering aan plantensamenstelling effect hebben op andere diersoorten.

Hoewel de verspreiding in Nederland naar verwachting minder snel zal gaan dan destijds in Engeland (bijvoorbeeld omdat het wegennet aanzienlijk dichter is), is niet uit te sluiten dat de muntjak zich hier ook zal verspreiden en eventueel vestigen. Dit dient zoveel mogelijk voorkomen te worden. De eerste stap om dit te voorkomen is preventie. Handel is wettelijk al niet toegestaan. De kans op ontsnapping uit dierentuinen en collecties is klein. Dat dieren de grens oversteken vanuit België is echter niet te voorkomen. Wanneer dieren gesignaleerd worden dienen deze als tweede stap geëlimineerd te worden door afschot of vangen. Mocht de soort zich toch vestigen dan is beheer de laatste stap waarmee de populatie ingeperkt dient te blijven (door afschot) en de schade beperkt dient te worden.

Waarnemen

>

Geluid

Muntjaks staan vooral bekend om het blaffende geluid dat ze vaak maken. Ze worden ook wel blafherten genoemd. Het blaffen wordt gebruikt om verschillende redenen. Vrouwtjes die paringsbereid zijn blaffen bijvoorbeeld veel en vaak en beide seksen blaffen als er gevaar dreigt.

 

Sporen

Muntjaks komen veel voor in hetzelfde habitat als reeën, en de sporen zijn lastig van elkaar te onderscheiden. De paden die muntjaks maken zijn kleiner dan die van reeën, maar vaak gebruiken ze ook paden van andere dieren. De hoeven zijn licht asymmetrisch (de buitenhoef is iets langer en krommer), maar dit is niet altijd zichtbaar in het loopspoor, temeer daar de stappen van de achtervoeten in de afdrukken van de voorvoeten worden gezet.
Zoals alle herten schrapen ook muntjaks met hun hoeven over de grond. Mannetjes doen dit vooral langs de grenzen van hun territorium.  De afdrukken kunnen wel een meter lang zijn, maar meestal zijn ze de helft in lengte en een paar centimeter diep.
Waar een muntjak heeft gelegen laat hij een ovale afdruk achter van ongeveer 40 x 60 cm (afhankelijk van het formaat van het dier).

Veel herten schuren jonge beplanting kaal met hun geweien, maar de muntjak doet dit met zijn tanden op een hoogte tussen 10 en 40 cm. De bast wordt meestal niet gegeten en blijft rafelig aan het gewas hangen. Iets hoger wordt het gewas ook wel afgebroken met de kaken of omgebogen doordat de muntjak ertegenop gaat staan, zodat een dier de hogere bladeren kan bereiken. Net als andere herten heeft een muntjak geen voortanden in de bovenkaak, waardoor er een rafelig geheel achterblijft als een dier bladeren en twijgen heeft gegeten.

De keutels zien er net zo uit als die van andere herten: gladde donkere keutels waar geen vezels in te ontdekken zijn. Ze zijn vrijwel rond of langwerpig, maar kunnen in formaat en aantal nogal verschillen en zijn gemakkelijk te verwarren met de keutels van reeën. De frequentie waarmee een muntjak zijn ontlasting laat vallen lijkt wel minder dan die van een ree.  Incidenteel wordt een plek herhaaldelijk gebruikt zodat een latrine ontstaat, maar meestal laat een muntjak de ontlasting verspreid op zijn pad of voedselgebied vallen.

 

Waarnemen

Dieren zelf waarnemen is, vanwege hun verborgen levenswijze, niet eenvoudig. Muntjaks zijn erg tolerant voor menselijke aanwezigheid zolang ze zich niet bedreigd voelen. Om zich veilig te voelen blijven ze vooral overdag veel in de dekking. Muntjaks worden in Engeland vooral gezien vanuit rijdende auto’s en treinen.