Lynx

Lynx (© Maaike Plomp)

De lynx (Lynx lynx) is de grootste katachtige van Europa. Het is onduidelijk of de soort vroeger in Nederland voorkwam, maar waarschijnlijk is het wel. In de laatste decennia is de soort meerdere malen 'geclaimd' in Limburg, maar 'harde' bewijzen ontbreken. Hooguit zou een zwervende lynx gesignaleerd kunnen zijn. In aangrenzend België is lijkt de soort met meer zekerheid gesignaleerd.

Uiterlijke kenmerken

>

Uiterlijk

De lynx is een hoogpotige kat met een relatief korte romp; hij heeft ongeveer de grootte en de vorm van het hondenras boxer. Zijn vacht is lichtbruin tot crèmekleurig en meestal duidelijk gevlekt. De buikzijde is lichter gekleurd. Hij heeft duidelijke bakkebaarden en een opvallend korte dikke staartje waarvan de punt zwart is. De zomervacht is kort met zwarte vlekken, de wintervacht is dik en zacht, met vagere vlekken. De oren zijn groot en hebben lange donkere oorpluimen. De ogen zijn licht en de neusspiegel bruinig. De snorharen zijn lang en lichtgekleurd.

 

Afmetingen

lengte kop-romp: 70 – 150 cm
lengte staart: 15-25 cm
gewicht: 14-26 (38) kg

Ecologie

>

Leefgebied en verspreiding

Oorspronkelijk kwam de lynx in het grootste gedeelte van Europa voor, van Frankrijk en de Pyreneeën tot de Balkan en Noord- en Centraal-Azië, van het Himalayagebergte tot Siberië en Scandinavië. In West-Europa is de soort echter in de loop van de vorige eeuw verdwenen door jacht, verlies van habitat en intensieve bestrijding. Men dacht dat hij schade zou aanrichten aan de wildstand en de veestapel, maar dat is niet waar. Maar ook de pels was zeer gewild.

In de laatste decennia van de vorige eeuw is de lynx met succes geherintroduceerd in delen van Zwitserland, Frankrijk, Duitsland, Tsjechië, Oostenrijk en voormalig Joegoslavië waardoor hij in de meeste landen van Centraal-Europa weer aanwezig is, zij het in kleinere aantallen dan voorheen.
Er zijn geen bewijzen dat de lynx vroeger ook in Nederland voorkwam, maar waarschijnlijk is het wel. Af en toe zijn is de soort gemeld in Limburg, maar de soort is nooit met zekerheid aangetoond. De gevonden prenten die van lynx afkomstig zouden zijn, kunnen ook van een hond zijn geweest. In aangrenzend België is zijn aanwezigheid met meer zekerheid vastgesteld.

De lynx komt voornamelijk voor in berg- of heuvelachtig terrein in grote aaneengesloten bosgebieden van afwisselende samenstelling . Hij heeft een voorkeur voor volwassen, dichtbegroeide naaldwouden en gemengde bossen, met veel bomen en een dichte ondergroei. In de bergen komt hij voor tot de boomgrens (2000-2500 meter).

 

Leefwijze en voedsel

Lynxen leven solitair. Je kunt alleen een moeder samen met haar jongen aantreffen, of in de paartijd een mannetje en een vrouwtje. Meestal zijn ze ’s nachts en in de schemering actief, maar soms ook overdag.

Lynxen zijn territoriaal; elk individu heeft een eigen territorium waaruit hij andere lynxen van hetzelfde geslacht verjaagt. Mannetjes hebben gemiddeld grotere territoria, die precies overlappen met die van één of twee vrouwtjes. De grootte van een individueel territorium varieert sterk en kan enorm groot zijn, tot wel 200.000 ha! In Midden-Europa tussen 10.000 en 40.000 ha, in het noorden van Scandinavië tot meer dan 100.000 ha. Ieder nacht verplaatst een lynx zich over een grote afstand (3,5 tot wel 19 km). Alleen als hij een grote prooi heeft gevangen, blijft hij enkele dagen in de buurt en blijft bij de prooi tot deze op is.

Het dier is prima aangepast aan het leven in gebieden met een sneeuwlaag tot 50 cm dikte. De lynx heeft behoefte aan voldoende dekking en verkiest daarom boslandschap afgewisseld met open plekken, rotshellingen en moeraszones om te jagen. Als schuilplaats gebruikt de lynx rotsspleten of verhoogde plekjes vaak op een zuidhelling. Hij rust soms op de kale bodem of in de sneeuw. Als geboorteplaats wordt een rotsholte, omgevallen bomen of overhangende rots gebruikt.
Lynxen markeren hun leefgebied door het spuiten van urine, zogenaamde geurvlaggen. Daarvoor gebruikt hij opvallende plekken, zoals boomstronken en uitstekende rotsen.

De lynx is een carnivoor en gespecialiseerd in het vangen van kleine hoefdieren zoals ree, gems, jonge edelherten en rendieren. Ook haasachtigen zoals konijn, haas en sneeuwhaas worden gevangen. Daarnaast eet hij ook vogels, knaagdieren en soms kleinere roofdieren zoals marterachtigen, vossen, katten en zwerfhonden. Met name in gebieden waar de natuurlijke prooien zeldzaam zijn door overbejaging, pakt een lynx ook wel eens schapen.

Per dag heeft een lynx ongeveer 1 kg vlees nodig en per jaar vangt een lynx 50 tot 60 kleine hoefdieren. Hij besluipt zijn prooi of wacht hem stilletjes op, bespringt hem en doodt hem met een wurgende halsbeet. Kleinere prooien worden met een nekbeet gedood. Niet alle aanvallen zijn succesvol, maar wanneer een prooi ontsnapt, achtervolgt hij hem hooguit enkele tientallen meters. De lynx eet vooral de spierrijke delen van zijn prooien, nooit de kop, hals of buikholte.

 

Voortplanting en leeftijd

De paartijd van de lynx valt in de maanden februari tot april. Na een draagtijd van 67-74 dagen worden in mei of juni de jongen geboren. De lynx krijgt per worp 1-5, maar meestal 2 à 3 jongen. De ogen gaan na 16 à 17 dagen open. De zoogtijd duurt drie tot vijf maanden. De jongen volgen na een maand of twee de moeder naar haar prooien. Ze blijven 10-11 maanden afhankelijk van de moeder. Het mannetje bemoeit zich niet met de jongen.

Een mannetje is na ongeveer 30 maanden geslachtsrijp, een vrouwtje na 22 maanden. Een lynx wordt niet ouder dan 15 jaar. In gevangenschap kunnen ze enkele jaren ouder worden.

Bedreiging en bescherming

>

De lynx heeft geen natuurlijke vijanden, er is wel concurrentie met de wolf. De lynx is in de meeste Europese landen waar deze soort voorkomt geheel of gedeeltelijk beschermd. Er is onderzoek gedaan naar de mogelijkheid van herintroductie van lynxen in Nederland. Geschikte gebieden zouden de Utrechtse heuvelrug, Limburg, Veluwe en de Oostvaardersplassen kunnen zijn. Voorwaarde is aansluiting met andere leefgebieden en corridors van bos zodat populaties in verbinding kunnen staan met andere Europese populaties. Dankzij de EHS (Ecologische Hoofdstructuur) wordt dit langzaam gerealiseerd. De soort is vooral gebaat bij gebieden met voldoende prooidieren, zoals reeën, en rust en dekking in de vorm van grote aaneengesloten bosgebieden. Daarnaast moet een gebied groot genoeg zijn voor een levensvatbare populatie.

Waarnemen

>

Zicht

Kans op waarneming is bijzonder klein. Uitwerpselen en vooral sleepsporen zijn opvallender. In de Eifel, Ardennen en de Voerstreek worden mogelijk lynxen waargenomen.

 

Geluid

De lynx maakt meestal geen geluid. In de paartijd kunnen gedempte snorrende geluiden tot een luid geschreeuw (wat vaak ’s nachts gebeurt en lijkt op het krolse geluid van huiskatten) te horen zijn.

 

Vraatsporen

Grote prooidieren worden soms honderden meters meegesleurd. Deze sleepsporen zijn soms waar te nemen. Grote, maar ook kleinere prooidieren worden slechts gedeeltelijk opgegeten, vooral de spierrijke delen. De huid wordt meestal naar buiten omgestulpt. Uiteindelijk blijven huid, ingewanden en grote botten over, waarbij de kop vaak in de teruggeslagen huid verborgen is, als in een zak. Na het eten verbergt de lynx zijn prooi onder losse aarde en bladeren. Vers gevangen hoefdieren zijn herkenbaar als lynx-prooien aan de hand van de vaak aanwezige diepe nagelkrassen over rug en flanken.

 

Uitwerpselen

Uitwerpselen van de lynx zijn tot 3 cm dik en dikwijls langer dan 10 cm. Ze zijn vaak zeer vaste, ietwat kegelvormige keutels die op diepe insnoeringen van elkaar geraakt zijn. Als de keutels nog aan elkaar zitten, is het uitwerpsel cilindervormig. Verse uitwerpselen hebben een slijmlaag die glanzend opdroogt. De keutels ruiken zeer scherp-muf. De uitwerpselen worden naast (nooit op) verhogingen of bij uitzichtplaatsen gedeponeerd, bijvoorbeeld bij overhangende rotsen in hellingbossen. Soms worden ze met aarde, humus of bladeren bedekt. Jonge dieren begraven hun uitwerpselen.

 

Loopsporen

Pootafdrukken van de lynx zijn rond, 7-9 cm breed en 7-9 cm lang. Verwarring is mogelijk met grote honden: let op de afwezigheid van nagelafdrukken bij de lynx. De afstand tussen de verschillende pootafdrukken hangt af van de manier van voortbewegen. Bij stap is dit 80-120 cm, bij draf tot 135 cm en bij sprongengalop zelfs tot 4 m.

 

Overige sporen

Sporen op krabbomen zijn vaak duidelijk waarneembaar.