Hazelmuis

Hazelmuis (© Maaike Plomp)

De hazelmuis (Muscardinus avellanarius) behoort tot de slaapmuizen. Doordat de hazelmuis uitstekend kan klimmen en zelden op de grond komt, wordt hij ook wel aapje genoemd. Zoals zijn naam doet vermoeden, is de hazelmuis gek op hazelnoten. Samen met de eikelmuis zijn het de enige twee soorten slaapmuizen die in Nederland voorkomen.

Uiterlijke kenmerken

>

Uiterlijk

De hazelmuis heeft een wat gedrongen bouw en een egale, oranjegele/oranjebruine vacht op de rug. De onderzijde is geelwit en de keel en borst zijn wit. De staart is lang en zeer dicht behaard en loopt uit in een puntje. Bij tien procent van alle hazelmuizen is het puntje van de staart wit. Hij heeft grote ronde ogen, kleine oren en een korte snuit met lange snorharen (ongeveer drie centimeter). De hazelmuis heeft lange en smalle tenen en vingers en goed ontwikkelde voetzolen en handpalmen, waarmee hij goed kan klimmen. Jonge hazelmuizen zijn egaal bruingrijs.

 

Afmetingen

lengte kop-romp: 60-90 mm
lengte staart: 55-80 mm
gewicht: 15-30 gram, maar zwaarder vóór winterslaap (tot 43gram)

Ecologie

>

Leefgebied en verspreiding

Het verspreidingsgebied van de hazelmuis ligt in Midden- en Oost-Europa en spreidt zich uit van de Middellandse Zee tot Denemarken, Zuid-Zweden en Groot-Brittannië.

In Nederland komt de hazelmuis uitsluitend voor in Zuid-Limburg en dan met name in de bossen op de hellingen van de rivieren de Geul en de Gulp. Het verspreidingsgebied is wel grensoverschrijdend zodat het doorloopt tot in België en Duitsland. Naar schatting leefden er rond 2005 250 tot 300 zich voortplantende individuen in Nederland.

De hazelmuis komt vooral in heuvellandschappen en gebergten voor. Hij wordt vooral aangetroffen in en nabij loofbossen, en heeft hierbij een voorkeur voor dichte struweelbegroeiingen van bramen, hazelaar, adelaarsvaren en kamperfoelie op de overgang van structuurrijk bos naar grasland. Maar ook in grote tuinen, hagen, houtwallen en jonge bosaanplant komt de hazelmuis voor.

 

Leefwijze en voedsel

De hazelmuis is een echt nachtdier. In de zomer is de hazelmuis de hele nacht actief, maar vanaf september rust hij tussendoor. Het is een uitstekende klimmer die zelden of nooit op de grond komt. Tijdens het klimmen gebruikt de hazelmuis zijn staart om zijn evenwicht te bewaren.

Zoals alle slaapmuizen, houdt ook de hazelmuis een winterslaap van ongeveer zes maanden, van oktober-november tot april. Om deze periode goed door te komen verdubbelt hij in de herfst zijn gewicht. Desondanks sterven veel hazelmuizen tijdens de winterslaap van de honger. Hazelmuizen leggen namelijk geen wintervoorraad aan.

Een hazelmuis is een gevarieerde eter en past zijn eetgedrag aan de beschikbaarheid van voedsel in de verschillende seizoenen aan. Hij leeft vooral van plantaardig voedsel zoals zaden, vruchten, bessen, noten, jonge twijgen en bladeren en knoppen van bomen en struiken. Voorbeelden hiervan zijn de zachte vruchten zoals taxus, braam en Gelderse roos en hazelnoten, kastanjes en eikels. Soms, bij een tekort hiervan in het voorjaar en de zomer, eet hij ook schors, insecten (vooral rupsen, larven en bladluizen) en stuifmeel of nectar van bloemen.

 

Territorium en verblijfplaats

Hazelmuizen zijn geen groepsdieren; ze leven min of meer solitair, maar wel vaak in elkaars omgeving. Vrouwtjes kunnen dicht bij elkaar leven, maar het leefgebied van mannetjes overlapt elkaar zelden. In de voortplantingstijd ligt dit anders, dan zoeken hazelmuizen elkaar op.

Het leefgebied bedraagt maximaal 2000 m2. Volwassen dieren zijn zeer plaatstrouw. De gemiddelde afstand die hazelmuizen afleggen om naar voedsel te zoeken vanaf het nest bedraagt meestal tussen 50-200 meter. Vrouwtjes verplaatsen zich minder ver (tot 50 m) van hun nest dan mannetjes (tot 200 m). Jonge hazelmuizen leggen, op zoek naar een eigen leefgebied, grotere afstanden af, tussen 300-600 meter.

Hazelmuizen bouwen meerdere nesten per seizoen om overdag in te slapen. Daarbij bouwt hij ook nesten voor de voortplanting en voor de winterslaap. Het nest is een compact geweven bal met een diameter van 6 tot 12 cm. Het voortplantingsnest is 15 cm in doorsnee. Het is gemaakt van plantenmateriaal, voornamelijk bladeren van loofbomen en braam, en grashalmen uit de directe omgeving en wordt afgesloten met een propje gedroogd gras. De hazelmuis bevestigt zijn nest tussen 0,5 en 2 meter boven de grond aan stengels van struiken of in de vork van jonge boompjes, soms hoger.

Het nest lijkt op dat van een winterkoning of staartmees maar is losser van structuur, zonder mos en zonder duidelijke opening (dichtgestopt met propje gedroogd gras). Door de vindplaats is het nest niet te verwarren met dat van de dwergmuis (dat voorkomt in hoog gras of riet met nog groene rafelige grashalmen).

Soms dient het nest van een eekhoorn of een vogel als basis of maken ze gebruik van natuurlijke holten in bomen of nestkasten. Nesten van verschillende hazelmuizen liggen vaak in groepjes niet ver van elkaar. Meestal ligt een nest in loofbos, in dicht struikgewas. Omdat hazelmuizen zich niet ver van hun nest verplaatsen, moet er in de directe omgeving een structuurrijke, afwisselende boom- en struiklaag aanwezig zijn. Af en toe worden ondergrondse bladnesten aangetroffen.

In de zomer bouwt de hazelmuis zijn nesten op de zuidelijke randen van bossen. Hier is het droog, warm en zonnig, waardoor planten en struiken veel vruchten kunnen dragen. Tijdens de periode van winterslaap bevinden de nesten zich vaak op de grond in een strooisellaag op noord- en noordwest hellingen. Deze hellingen zijn vochtiger dan de zuidelijke en hazelmuizen hebben tijdens hun winterslaap behoefte aan een stabiele en hoge luchtvochtigheid.

 

Voortplanting en leeftijd

De paartijd van de hazelmuis begint in het voorjaar en het voortplantingsseizoen duurt van mei tot september. Een vrouwtje is vanaf haar tweede jaar geslachtsrijp en krijgt meestal twee worpen per jaar. Na een draagtijd van 22 tot 24 dagen, worden er 2 tot 7 jongen in een kraamnest geboren. De jongen worden blind en naakt geboren, maar hebben snel daarna een egaal bruingrijze vacht. De zoogtijd duurt zes tot acht weken. Na een week of tien zijn de jongen zelfstandig. De meeste jongen worden begin juli en eind augustus geboren.

De hazelmuis wordt maximaal drie tot vier jaar oud in het wild, in gevangenschap soms zes jaar.

Bedreiging en bescherming

>

De hazelmuis is in Nederland een bedreigde diersoort en streng beschermd. Door toenemende intensivering van grondgebruik is er voor de hazelmuis steeds minder geschikt leefgebied. De overgebleven leefgebieden worden ook bedreigd. Met het verwijderen van mantel- en zoomvegetatie, overgang van bos naar open gebied, , hakhoutbosjes, heggen en bermen verdwijnen het overgangsmilieu en structuurrijke vegetatie waar de hazelmuis naar voedsel zoekt.

Ook worden bosranden en struweelrijke wegbermen vaak gemaaid of gekapt waardoor nesten vernietigd worden (vooral bij maaien tussen september-november). Daarbij komt dat hazelmuizen slecht enkele kilometers afleggen om zich opnieuw te vestigen, waarbij ze zich enkel door aaneengesloten bosgebieden en landschapselementen verplaatsen.

Onverharde en verharde wegen zijn een niet te nemen barrière, waardoor versnijding van een leefgebied ook een bedreiging is. Het voorkomen van braamstruiken is voor het voortbestaan van de soort van groot belang. Natuurlijke vijanden van de hazelmuis zijn kraaiachtigen, uilen en vossen. Een andere natuurlijke bedeiging is een winter (november-december) met veel afwisselende vorstperiodes.

Waarnemen

>

Geluid

De hazelmuis maakt vrij weinig geluid. Soms maakt hij een zacht getsjirp en bij het ontwaken uit de winterslaap maakt hij een fluitend geluid.

 

Vraatsporen

Vraatsporen van de hazelmuis zijn te vinden op hazelnoten, bij braam- en bessenstruiken en op kamperfoelie. De hazelnoten hebben een glad snijvlak met daaromheen korte, scheve tandkrasjes. Bij braam- en bessenstruiken zijn vaak gemorste pitjes en vruchtresten te vinden op een lager hangend blad van die struik. Deze soort eet namelijk zijn voedsel ter plaatse op. De kamperfoelie heeft soms takken waarvan de hazelmuis kleine stukjes bast heeft afgestript als bouwmateriaal voor het nest. Vraat aan knoppen is niet te onderscheiden van andere dieren.

 

Uitwerpselen

De keutels van de hazelmuis zijn onregelmatig van vorm. Ze zijn 4-7 mm lang en 2-2,5 mm breed. Ze zijn variabel van kleur, afhankelijk van het gegeten voedsel. Meestal heeft een kant een punt en is de andere kant stomp. De keutels zijn alleen te vinden in de nesten of in nestkasten. Bij nestkasten is verwarring mogelijk met andere soorten als bosmuis, grote bosmuis, rosse woelmuis, eikelmuis en relmuis.

 

Loopsporen

Loopsporen van de hazelmuis lijken sterk op die van de andere slaapmuizen, wel zijn de pootafdrukken van de hazelmuis de kleinste. De pootafdrukken van de voorvoet hebben 4 tenen, die van de achtervoet 5, de eerste teen van de achtervoet is echter maar een stompje. De lengte van de afdruk van de voorvoet is 10-13 mm lang en die van de achtervoet 16 mm. De nagelafdruk ontbreekt, wat de afdruk weer onderscheidt van soorten zoals bruine rat. Soms geeft de staart een sleepspoor. Loopsporen zijn zelden te vinden want de soort houdt 6 maanden een winterslaap en leeft voornamelijk in bomen en struiken.

 

Bewoningssporen

In het najaar zijn de nesten van de hazelmuis te vinden in struwelen en randvegetaties. Soms ook te vinden in nestkasten.

 

Braakballen

Hazelmuizen worden slechts af en toe in braakballen van uilen aangetroffen.

 

Zicht

Tijdens het zoeken naar nesten bestaat de kans af toe een hazelmuis te zien!

Onderzoek

>

Hazelmuizen kunnen worden geïnventariseerd door het ophangen van nestbuizen en nestkasten. Hierin zijn sporen of nesten te vinden waarmee de hazelmuis in een gebied kan worden aangetoond.