Gewone zeehond

Gewone zeehond (© Aaldrik Pot)

De gewone zeehond (Phoca vitulina) heeft een torpedovormig lichaam en een grijze tot bruingrijze vacht met zwarte vlekken. Hij eet voornamelijk bodemvissen die hij jaagt met behulp van zijn gevoelige snorharen. Verwarring met de grijze zeehond kan optreden. Het makkelijkste (zichtbare) kenmerk is het kopprofiel. De grijze zeehond heeft een duidelijk afgeplatte kop terwijl de gewone zeehond een ronde kop heeft.

Uiterlijke kenmerken

>

Uiterlijk

De gewone zeehond heeft een torpedovormig lichaam en een grijze tot bruingrijze vacht met zwarte vlekken. De onderzijde van zijn lichaam is iets lichter gekleurd. Jonge dieren hebben een geelgrijze vacht (de witte wollige vacht hebben ze al voor de geboorte verloren). De vacht bestaat uit twee lagen haren; lange, stugge haren boven en kleinere, veel zachtere onderharen. De zachte onderharen zijn moeilijk door water doordringbaar, waardoor warmteverlies voorkomen wordt. Daarnaast heeft de gewone zeehond om zijn gehele lichaam, behalve bij de vinnen, ter isolatie een dikke speklaag van enkele centimeters dik.

De gewone zeehond heeft vier flippers: twee korte voorflippers en twee achterflippers. De voorflippers hebben lange tenen met zwarte nagels die onderling zijn verbonden door zwemvliezen.

De gewone zeehond heeft een kleine kop met relatief grote, donkere ogen die dicht bij elkaar staan. Hij heeft geen uitwendige oorschelpen (zoals bij zeeleeuwen), maar inwendige oren die als twee gaatjes aan weerzijden van zijn kop zichtbaar zijn. Op zijn snuit heeft hij lange, lichtgekleurde snorharen en smalle, V-vormige neusgaten.

 

Onderscheid met grijze zeehond

Het makkelijkste (zichtbare) kenmerk is het kopprofiel. De gewone zeehond heeft een ronde (zee)hondenkop terwijl de grijze zeehond een duidelijk afgeplatte kop heeft.

 

Afmetingen

lengte: mannetjes 150-190 cm, vrouwtjes 120-155 cm, pasgeborenen 70-90 cm
gewicht: mannetjes 55-130 kg, vrouwtjes 45-105 kg, pasgeborenen 9-11 kg

Ecologie

>

Leefgebied en verspreiding

e gewone zeehond leeft voornamelijk in getijdengebieden waar plekken aanwezig zijn die bij eb droogvallen. Deze plekken zijn vooral te vinden langs zandige kusten en rotskusten, maar ook op met wier bedekte riffen, kiezelsteenstranden, zandplaten en stenen. Ze hebben een sterke voorkeur voor rustige plekken, zonder menselijke aanwezigheid. Tijdens hoog water zwemmen gewone zeehonden naar andere (diepere) delen om te foerageren. Een enkele keer komt een gewone zeehond (tijdelijke) voor bij riviermondingen of zelfs in (zoete) binnenwateren.

De gewone zeehond komt vrijwel langs alle kusten van de noordelijke Atlantische en Stille Oceaan en aangrenzende zeeën voor. Zo wordt hij aangetroffen in wateren bij Canada, Noord-Amerika, Rusland en Japan. In Europa komt hij voor in de Oostzee, de Noordzee, de Waddenzee, in de wateren bij IJsland en langs de kusten van Noorwegen, Ierland, Groot-Brittannië (met uitzondering van het Kanaal) en het Franse Bretagne. De meest noordelijke verspreiding van de gewone zeehond valt samen met de noordelijkste ijsvrije wateren in het Noordpoolgebied. In Nederland worden ligplaatsen van de gewone zeehond aangetroffen in de Waddenzee en in het Delta gebied.

 

Leefwijze en voedsel

De gewone zeehond kan goed zwemmen en bereikt hiermee snelheden tot 35 km/uur en hij kan duiken tot 500 m diep. Hij zwemt meestal 6-7 kilometer per uur, onder het wateroppervlakte met golvende bewegingen en hij gebruikt dan zijn achtervinnen om vaart te maken en zijn lichaam en voorvinnen om te sturen. De gewone zeehond moet regelmatig boven water komen om adem te halen, meestal na 15 minuten soms wel 20-30 minuten. Bij het bovenwater komen gaan de neusgaten open, die tijdens het zwemmen zijn gesloten.

Op het land beweegt de gewone zeehond zich voort door zijn lichaam met behulp van de voorste vinnen over de grond te slepen (ook wel bobberen genoemd). Ondanks dat hij op korte afstanden nog redelijk snel is, is hij aan land meestal extreem voorzichtig en schuw en is het bijna onmogelijk om dichtbij te komen zonder dat hij het water in vlucht. Om snel in het water te kunnen vluchten kiest de gewone zeehonden zijn ligplaatsen veelal langs (diepe) geulen. In gebieden waar vaak verstoring optreedt zie je dat gewone zeehonden op de ligplaatsen de waterlijn blijven volgen.

In het water leven gewone zeehonden solitair, maar ze rusten vaak in grote gemengde groepen die enkele tot honderden dieren groot kunnen zijn. Wanneer ze rusten, liggen de volwassen dieren niet dicht op elkaar en in de winter zijn de groepen vaak kleiner en wordt er minder gebruik gemaakt van de rustplaatsen. De gewone zeehond is erg honkvast en keert vaak terug naar dezelfde rustplaatsen. Deze rustplaatsen, waarbij afwezigheid van verstoring en toegang tot diepere water dus belangrijke eisen zijn, worden ook gebruikt om jongen te krijgen, te zogen en te ruien.

De getijden bepalen de activiteiten van de gewone zeehond. Bij vloed wordt er gejaagd en bij eb, wanneer de rustplaatsen droog komen te liggen, wordt er gerust. In gebieden waar rustgebieden ook bij vloed droog blijven, zijn zeehonden dagdieren, die 's nachts op de rustplaatsen verblijven.

Zeehonden kunnen zowel op het droge als in het water slapen. In het water slapen ze rechtop drijvend als een grote dobber, horizontaal drijvend aan de oppervlakte maar soms ook geheel onder water. Omdat ze tijdens het slapen niet actief zwemmen kunnen ze in die situatie veel langer onder water blijven dan bij het jagen. Er zijn gevallen bekend van zeehonden die een half uur onder water blijven. Doorgaans blijven ze niet langer dan een kwartier onder water.

In de zomer, vanaf eind juni tot en met augustus, verharen de gewone zeehonden. Eerst ruien de één jaar oude dieren, dan de onvolwassen dieren en de vrouwtjes zonder jongen, gevolgd door de vrouwtjes met jongen en tenslotte de volwassen mannetjes. Vaak zien ze er hierna heel anders uit. Om te kunnen verharen is het belangrijk dat de huid eerst opdroogt. De rustplaatsen zijn tevens belangrijk om te zonnen. Het zonlicht draagt niet allen bij aan het drogen van de vacht maar ook aan de productie van vitamine D. De gewone zeehond heeft zowel op het land als op het water een uitstekend gezichtsvermogen. Ook zijn gehoor is uitstekend.

De gewone zeehond eet voornamelijk bodemvissen, zoals platvis. Hij heeft echter geen specifieke voorkeur en zijn voedselsamenstelling hangt af van het jaargetijde, het aanbod en de plek waar hij is. Al heeft hij de neiging om zich per seizoen op maar een vissoort te richten. Zo eet hij veel bot, schar en tong maar ook haring, kabeljauw, wijting en zandspiering. Ook garnalen, weekdieren en inktvissen worden gegeten en jonge zeehonden eten ook op de bodem levende kreeftachtigen, garnalen en weekdieren. In de Nederlandse wateren is bot de belangrijkste voedselbron.

De gewone zeehond gebruikt zijn stijve snorharen bij het jagen op vis. Hierdoor kunnen ze in zeer troebel water, met weinig tot geen zicht, toch aan voedsel komen. Het is zelfs bekend dat een blinde zeehond prima in staat is om in het wild aan zijn dagelijkse kostje te komen. Met hun snorharen voelen ze bewegingen in het water en zo kunnen ze waarnemen waar een vis zich bevindt en hem vangen. Dat doen ze met hun tanden. Grotere vissen eten ze aan het wateroppervlak, kleinere vissen worden tijdens het jagen onder water opgegeten. Een gewone zeehond eet 4 tot 8 kilo vis per dag, afhankelijk of hij vette vis (zoals haring en makreel) of magere vis (zoals platvis) eet. Met het voedsel krijgt de gewone zeehond zijn vocht binnen, want hij drinkt geen zeewater.

Meestal zoeken gewone zeehonden het hele jaar voedsel rondom hun voortplantings- en rustgebieden. Hierbij kunnen ze soms tot 60 km van de rustplek gaan om te foerageren. In de winter trekt de gewone zeehonden uit de Waddenzee de zeegaten in om vis te vangen, omdat een groot aantal vissoorten het afgekoelde water op het wad ontvlucht is en zich in wat dieper Noordzee water ophoudt. In deze periode kunnen foerageergebieden op meer dan 100 km afstand van de ligplaatsen bezocht worden. Ze blijven soms meerdere dagen op zee alvorens terug te keren naar hun (vaste) rustplaats.

 

Verblijfplaats

De meeste gewone zeehonden blijven in het gebied waar bekend zijn en er is ook weinig seizoenstrek. Wel treedt uitwisseling op tussen de verschillende gebieden waar de soort voorkomt, met name door jonge dieren. En sommige dieren zijn echte zwervers, en kunnen voor een langere periode wegblijven of zich in andere gebieden vestigen. In Nederland geboren jongen kunnen bijvoorbeeld naar Bretagne of de Duitse Waddenzee wegtrekken, of andersom.

 

Voortplanting en leeftijd

De paartijd van de gewone zeehond valt in juli en begin augustus. Voor de paring vindt een baltsritueel plaats in het water, waarmee het mannetje het vrouwtje probeert te versieren. Daarna vindt de paring plaats in het water, waarbij het mannetje het vrouwtje in de hals bijt. Na tien maanden wordt er meestal een jong, soms een tweeling, geboren. De eigenlijke draagtijd duurt echter maar zeven maanden, want door een verlengde draagtijd (het bevruchte eitje nestelt zich niet meteen, maar pas na drie maanden, in de baarmoeder) komt de embryo pas tot ontwikkeling in november of december.

Van mei tot juli worden de jongen geboren, met een piekperiode in de tweede helft van juni. Een jong wordt aan land, op een zandplaat of op de rotsen, geboren en kan dan direct zwemmen en duiken, zodat ze met de daaropvolgende vloed al met hun moeder mee kunnen zwemmen. Na twee dagen kan het jong al twee minuten onder water blijven. Gedurende 3-6 weken zoogt de moeder het jong iedere drie-vier uur, op het land of in het water, tot het jong een gewicht van ongeveer 24 kg heeft bereikt. Tijdens de zoogperiode beschermen de vrouwtjes de jongen tegen vijanden. Bij groot gevaar duikt de moeder met het jong in de bek het water in, waarbij ze vaak ook onder water duikt. Na de zoogtijd verlaat de moeder het jong om opnieuw te paren en gaat het jong over op het eten van vis en moet het voor zichzelf zorgen.

Vrouwtjes zijn met ongeveer 3 jaar geslachtrijp en mannetjes met ongeveer 5 jaar. De gewone zeehond wordt gemiddeld 20-30 jaar oud. Vrouwtjes worden ouder dan mannetjes; vrouwtjes worden maximaal 40 jaar oud en mannetjes 25 jaar oud.

Bedreiging en bescherming

>

De belangrijkste natuurlijke vijanden van de gewone zeehond zijn haaien en de orka. Maar, de mens is de belangrijkste veroorzaker van bedreigingen voor de gewone zeehond. Zo werden er tot 1950 jacht op de gewone zeehond gemaakt, omdat men dacht dat de zeehond een ernstige concurrent van de vissers was. Sinds 1975 is echter de jacht op gewone zeehond in zowel Duitsland en Nederland verboden, waardoor er in de Waddenzee geen jacht meer plaats vindt. Daarnaast zijn vervuiling door o.a. PCB's en ziektes bedreigingen van de gewone zeehond. De PCB's hadden een sterke negatieve invloed op de vruchtbaarheid van de zeehonden waardoor een sterke daling optrad in het aantal gewone zeehonden in de jaren '60 en '70. Ook het zeehondenvirussen en ziektes vormen een bedreiging. Zo stierf in 1988 en in 2002, 50-60% van de West-Europese gewone zeehondenpopulatie door een uitbraak van dodelijk zeehondenvirus (PDV).

    Waarnemen

    >

    Geluid

    De gewone zeehond is meestal zwijgzaam. De jongen maken soms huilgeluiden of slaan met hun flippers op het water tijdens het spelen. Mannetjes slaan met flippers op water om te dreigen.

     

    Sporen

    Kruipspoor van de gewone zeehond (© Richard Witte van den Bosch) Spoor van de gewone zeehond (© Richard Witte van den Bosch)
    Kruipspoor van de gewone zeehond
    (© Richard Witte van den Bosch)
    Detail van spoor (nagelafdrukken) van de gewone zeehond
    (© Richard Witte van den Bosch)

     

    Zicht

    De gewone zeehond is vanaf de kust (vooral vanaf havenhoofden) vaak zichtbaar.

    Onderzoek

    >

    Er wordt veel wetenschappelijk onderzoek verricht naar de gewone zeehond. Dit onderzoek richt zich op de zeehonden zelf en op hun leefmilieu, zoals populatiebiologie, toxicologie, immunologie, virologie, fysiologie, ecologie en ethologie. De aantallen zeehonden worden sinds de jaren zestig bijgehouden door waarnemingen vanuit boten en vliegtuigen. Onderzoekers van IMARES tellen acht maal per jaar het aantal zeehonden in de Nederlandse deel van de Waddenzee door de populaties te fotograferen. Onderzoekers van Deltares tellen maandelijks het aantal zeehonden in het Deltagebied.

    Er is door IMARES ook onderzoek gedaan waarbij zeehonden werden voorzien van zenders. Hierbij is gebleken dat bij de vliegtuigtellingen (waarbij alleen de op de zandplaten aanwezige dieren geteld worden) maar circa tweederde van het totale aantal zeehonden daadwerkelijk geteld wordt. Eénderde bevindt zich tijdens de tellingen blijkbaar in het water, zodat zo dat die er bij de tellingen vanuit een vliegtuig moet worden opgeteld.