Gewone bosspitsmuis

Gewone bosspitsmuis (© Dick Klees)

De Gewone bosspitsmuis (Sorex araneus) is een zoogdier in de orde insecteneters. Gewone bosspitsmuizen hebben tanden met roodbruine punten. De vacht op de rug is meestal donkerbruin en op de buik grijzig wit. Verwarring met andere spitsmuizen kan optreden.

Uiterlijke kenmerken

>

Uiterlijk

De gewone bosspitsmuis heeft een driekleurige vacht. De bovenzijde is donker tot zwartbruin, de flanken zijn lichter bruin en de buik is grijswit. Tussen de verschillende kleuren is een geleidelijke overgang. In de winter is de vacht donkerder en langer dan in de zomer. Tijdens de verharing in de herfst verschijnt de lange, donkere wintervacht het eerst op het achterlijf en in de lente verschijnt de korte, lichtere vacht het eerst op het voorlijf. Jongere dieren zijn bruiner en hun poten zijn donkerder.

De gewone bosspitsmuis heeft een spitse kop met kleine donkere ogen, lange snorharen en een donkere neusspiegel. De oren zijn grotendeels in de vacht verborgen. Hij heeft scherpe tanden. Zijn staart is korter dan het lichaam, is tweekleurig en heeft aan het uiteinde een kwastje. De staartharen worden niet vervangen, waardoor bij oudere dieren de kwast versleten is en de staart zelf vrijwel kaal is. Hij heeft aan alle poten vijf tenen met scherpe nagels.

 

Afmetingen

lengte kop-romp: 55-85 mm
lengte staart: 32-57 mm
gewicht: 6-13 g

Ecologie

>

Leefgebied en verspreiding

De gewone bosspitsmuis komt in allerlei soorten graslanden en bossen voor als er maar een bodembedekkende vegetatie aanwezig is. Vooral in hoog grasland, varenbossen, heggen en struwelen komt hij voor, maar ook in akkers, bermen, heide, duinen, rietvelden, parken en tuinen. In moerassen en zandige gebieden met een losse bodem komt hij niet voor.

Het verspreidingsgebeid van de gewone bosspitsmuis strekt zich over vrijwel geheel Europa uit, behalve het Iberisch schiereiland, in Ierland en het grootste gedeelte van Frankrijk. In het oosten komt de soort voor tot aan het Baikalmeer. In de Alpen komt de soort voor tot op 2500 m hoogte. In Nederland komt de gewone bosspitsmuis vrijwel overal voor. Alleen op de Waddeneilanden komt hij, met uitzondering van Terschelling, niet voor. Ook op de zandgronden van de Veluwe, Utrechtse Heuvelrug en de Kempen ontbreekt hij. De gegevens over de verspreiding van de gewone bosspitsmuis berusten voornamelijk op braakbalvondsten.

 

Leefwijze en voedsel

De gewone bosspitsmuis leeft solitair en is zowel overdag als ‘s nacht actief. Hij is dan constant op zoek naar voedsel, waarbij hij vaak piept. Hij verbruikt zoveel energie dat hij al na drie uur zonder voedsel van de honger sterft. Elke twee uur houdt hij een korte rustpauze. In de winter leeft de gewone bosspitsmuis ondergronds en de rest van de tijd leeft hij ook grotendeels ondergronds. Zijn zichtvermogen is slecht, maar zijn reukvermogen en tastzin zijn wel goed ontwikkeld. Hij kan zwemmen en klimmen.

De gewone bosspitsmuis eet zowel plantaardig als dierlijk voedsel. Hij foerageert in de bodem, tussen het bladafval of in smalle gangen tot een diepte van 10 cm, die hij zelf graaft of die door andere kleine knaagdieren zijn gemaakt. Hij vindt zijn voedsel met behulp van zijn reukvermogen en eet op en in de strooisellaag levende dieren zoals kevers, pissebedden, wormen, spinnen en slakken. Ook doodt en eet hij soms andere kleine zoogdieren (waaronder soortgenoten) en hij eet ook met name de ogen en hersenen van grotere dode dieren. Daarbij eet hij zaden van naaldbomen en ander plantaardig materiaal. Per dag eet een bosspitsmuis 80-90% van zijn lichaamsgewicht aan voedsel.

 

Territorium en verblijfplaats

De gewone bosspitsmuis heeft een territoriumgrootte van 400-650 m2. Deze grootte is vooral van belang in de winter, wanneer er minder voedsel te vinden is. Een bosspitsmuis duldt geen soortgenoten in zijn territorium, behalve voor een korte periode in de paartijd. Het territorium wordt afgebakend en soortgenoten worden met veel gekwetter geweerd. In het najaar verdringen jonge spitsmuizen de oudere dieren uit hun territorium.

De gewone bosspitsmuis gebruikt een hol als verblijfplaats. Meestal worden hiervoor oude muizenholen gebruikt. Het hol heeft een doorsnede van 2,5 cm en bevat een kom- of bolvormige nest. Soms is de aanwezigheid te ruiken aan de ingang van het holletje. Voor de ingang ontbreekt de zandwaaier zoals bij vers gegraven holletjes van muizen die wel zelf graven.

 

Voortplanting en leeftijd

De voortplantingstijd loopt van april tot augustus. Mannetjes en vrouwtjes leven dan samen. Tijdens de paring houdt het mannetje het vrouwtje stevig bij haar nekharen vast. Na een draagtijd van circa 3 weken, worden er 1-9, maar gemiddeld 5-6 jongen geboren. Als de jongen 1 week oud zijn, gaan ze al met hun moeder mee op voedseltocht en na ongeveer 23 dagen zij ze zelfstandig. Vanaf april zijn de vrouwtjes vrijwel continu zwanger. Jonge dieren nemen pas in het volgende voorjaar deel aan de voortplanting. Een gewone bosspitsmuis wordt maximaal 14-16 maanden oud, waarbij hij nooit zolang leeft dat hij een tweede winter haalt.

Bedreiging en bescherming

>

Natuurlijke vijanden van de gewone bosspitsmuis zijn met name uilen en ook marters. Andere rovers, zoals bunzing, vos en kat, vangen de gewone bosspitsmuis wel, maar eten hem niet op vanwege de geur en smaak.

Waarnemen

>

Geluid

Tijdens bezigheden is een zacht gekwetter te horen en ook sissende en zingende geluiden. Bij confrontaties met soortgenoten is een schril en luid gepiep te horen, wat klinkt als tsie-tsie-tsie. In de winter maakt hij minder geluid.

 

Vraatsporen

Afgebeten vlindervleugels of leeggegeten slakkenhuisjes, op verborgen plekjes onder planten of rommelhopen, kunnen wijzen op gewone bosspitsmuis, maar ook op een andere spitsmuissoort.

 

Uitwerpselen

Uitwerpselen van de gewone bosspitsmuis zijn 1-4 mm in doorsnede en 2-15 mm lang. Ze zijn donkerbruin tot zwart en bevatten veel chitinedeeltjes (van dekschilden van kevers). Ze zijn gedraaid en een uiteinde is puntig en de andere is afgerond.

 

Loopsporen

Spitsmuizen laten maar zelden pootafdrukken achter vanwege hun geringe gewicht en het feit dat zij vooral in de blad- en kruidlaag hun voedsel zoeken. Bovendien zijn ze moeilijk op soort herkenbaar. De pootafdrukken van de gewone bosspitsmuis zijn voorvoet zijn zowel 8 mm breed als lang en die van de achtervoet zijn zowel 10 mm breed als lang.

 

Vangen

Gewone bosspitsmuizen zijn makkelijk te vangen met life-traps.

 

Braakballen

Prooiresten worden gevonden in braakbalen van (kerk)uilen.