Edelhert

Edelhert (© Maaike Plomp)

Het edelhert (Cervus elaphus) is het grootst op het land levende zoogdier van Nederland en na de eland de grootste soort uit de familie van de hertachtigen in Europa. Het heeft een schofthoogte van gemiddeld 110 cm en heeft in de zomer een roodbruine vacht (de soort wordt ook roodwild genoemd) die in de winter grijsachtig bruin is. Verwarring met andere herten kan optreden.

Uiterlijke kenmerken

>

Uiterlijk

Het edelhert heeft in de zomer een roodbruine vacht (de soort wordt ook wel roodwild genoemd) die in de winter grijsachtig bruin is. Het winterhaar bevat luchtcellen en heeft daardoor een goed isolerende werking. De buikzijde is wit en het staartstuk (ook wel spiegel genoemd) heeft lange haren en is wit tot roomkleurig. Van september tot december krijgt het edelhert zijn wintervacht en vanaf mei tot augustus de zomervacht. De rui (verharing in het voorjaar) begint bij de kop, de poten en het voorlijf. Het mannetje heeft in de herfst manen en een verdikte hals. Jonge dieren hebben een gevlekte, bruine vacht. Het edelhert heeft grote oren die van binnen behaard zijn, grote donkere ogen en een spitse snuit met donkere neus.

Het mannetje (hert) heeft een gewei. Als een mannetje zeven maanden oud is, beginnen de rozestokken (beginselen van het gewei) te ontwikkelen. En als het dier een jaar oud is, zijn de rozenstokken volgroeid en begint de groei van het eerste gewei. Het eerste gewei van het jonge hert is meestal een spiesgewei, daarna wordt het gewei elk jaar groter en zwaarder met meer vertakkingen, ook wel enden genoemd. Een volgroeid gewei heeft meestal meer dan acht maar maximaal 13 enden. Bij voedselgebrek of andere problemen komt het voor dat een gewei in het volgende jaar niet groter is of dat het onregelmatig gevormd is. En bij mannetjes ouder dan 12 jaar wordt het gewei vaak weer kleiner.

Elke nawinter wordt het gewei afgeworpen waarna meteen de groei van een nieuw gewei begint. Dit is rond juli voltooid en hard. In augustus verwijderen de mannetjes de basthuid (fluweelachtige huid) door deze langs takken en boomstammen te schuren en daarna is het gewei gevoelloos. De ontwikkeling van het gewei is sterk afhankelijk van kalkarme of kalkrijke gebieden.

 

Afmetingen

lengte kop-romp: mannetje 180 – 210 cm, vrouwtje 150 – 180 cm
schofthoogte: mannetje 104 – 124 cm, vrouwtje 90 – 110 cm
lengte staart: ongeveer 20 cm (12-15 cm zonder beharing)
gewicht: mannetje 95 – 160 (maximaal 200)kg, vrouwtje 55 – 80 kg
gewei: 71 cm en 5 kg en kan uitgroeien tot 91 cm en 15 kg

Edelherten uit bosgebieden zijn kleiner dan die uit meer open gebieden. In het oosten van zijn verspreidingsgebied is het edelhert groter. Ook zijn mannetjes (herten) groter dan vrouwtjes (hindes of kaalwild).

Ecologie

>

Leefgebied en verspreiding

Het verspreidingsgebied van het edelhert ligt in Europa en Azië. In Europa loopt het van Zuid-Spanje tot Zuid-Zweden en van Groot-Brittanië tot in de Balkan. In Azië komt het edelhert voor in Mongolië en China. Het edelhert is door de Engelse kolonisten ingevoerd in Australië en Nieuw-Zeeland. In Noord-Amerika komen ook edelherten voor, maar dit zijn ondersoorten die gezamenlijk wapiti worden genoemd en soms als aparte soort Cervus canadensis worden beschouwd.

Oorspronkelijk kwam het edelhert in geheel Nederland voor. Nu komt het edelhert alleen nog voor op de Veluwe, de Oostvaardersplassen en sinds 2005 binnen een raster in het Weerterbos. Af en toe wordt er een edelhert op de Utrechtse Heuvelrug of aan de grens met het Duitse Reichswald gesignaleerd. Deze dieren worden niet geduld en derhalve afgeschoten. Buiten de genoemde gebieden geldt namelijk de ‘nulstand’, wat inhoud dat daar geen edelherten mogen leven.
Edelherten leefden van oorsprong in open bossen maar zijn aangepast aan allerlei biotopen, van drogere loofbossen en heidevelden tot vochtige milieus als vennen en moerassen, maar ook in hoogland en berggebieden tot boven de boomgrens. Het edelhert lijkt een voorkeur te hebben voor bosgebieden die grenzen aan grasgebieden en rivierdalen met ooibossen. In de winter moet er gras binnen bereik zijn en ook de aanwezigheid van (drink)water is belangrijk.

 

Leefwijze en voedsel

Het edelhert is de gehele dag door actief, maar in gebieden met veel menselijke activiteit vooral vroeg in de ochtend en laat in de avond. 's Ochtends grazen ze vaak op graslanden. Bij harde wind en regen zoeken ze beschutting.

De zintuigen van een edelhert zijn uitstekend ontwikkeld. Ze kunnen tot een afstand van wel 300 m ruiken. Edelherten kunnen de kleinste beweging op grote afstand waarnemen. Dit komt omdat hun ogen ver uit elkaar staan waardoor ze zonder hun kop te bewegen een aanzienlijke terreinbreedte kunnen overzien. Edelherten kijken een object dat niet vertrouwd wordt, minuten lang onbeweeglijk aan. Geluid kunnen ze op grote afstand waarnemen. Aan de stand van de oren is de gemoedstoestand af te lezen; bij onenigheid leggen ze de oren plat in de nek.

Edelherten slapen per dag 2 uur, rusten 5 uur, herkauwen 6 uur en zijn 4 uur bezig met persoonlijke verzorging en sociale contacten. De overige 7 uur zijn ze bezig met voedsel zoeken en eten.

In zomer en winter vormen de herten groepen (ook wel roedels genoemd). De hinden en onvolwassen dieren van beide geslachten vormen aparte roedels. Hindenroedels worden geleid door een dominant vrouwtje met kalf; de leidhinde. Zij loopt voorop en wordt in kritieke situaties altijd gevolgd. Verliest zij haar kalf, dan zal een andere hinde, met kalf, haar plaats innemen. De volwassen mannelijke dieren vormen afzonderlijke en van de hinden ruimtelijk gescheiden roedels. Rond de paartijd (bronst) vallen de mannelijke roedels uiteen en zoeken de herten de roedels met hinden op. Minder sterke herten leiden dan een vaak zwervend bestaan.

Edelherten zijn planteneters. Ze eten gras, zeggen, biezen, heide, boomschors, knollen, wortels, vruchten, zaden, knoppen, scheuten, loof en bast van bomen en struiken. Ook landbouwgewassen zijn in trek. Het edelhert is een herkauwer dat zijn voedsel eerst opslaat en op een rustige plek herkauwt. Ze passen hun menu aan het biotoop en seizoen aan, al eten ze het hele jaar door gras. Wanneer gras maandenlang, door een dikke sneeuwlaag, onbereikbaar is, sterven veel kalveren en teren volgroeide dieren op hun vetreserves.

 

Territorium en verblijfplaats

De grootte van het leefgebied van een edelhert hangt af van de kwaliteit van het gebied en het seizoen. In cultuurbossen is het 200-400 hectare groot, maar in bergachtige gebieden kan het tot wel 2400 hectare groot zijn.

Als een edelhert rust, zoekt hij dekking op. Deze dekking kan bestaan uit een dicht bladerdak van struiken of dicht op elkaar staande dennen. Ook een heuvelachtig terrein is geschikt. Ze liggen dan op open plekjes (ook wel legers genoemd).Naderend gevaar kan vanaf een grote afstand worden waargenomen en de herten kunnen zich tijdig uit de voeten maken.

 

Voortplanting en leeftijd

De bronsttijd valt van de tweede helft van september tot half oktober. De mannetjes proberen dan harems te vormen. Dit doen ze door luid te burlen (een soort loeien) en hun krachten te meten met rivalen. Rivalen lopen dan langzaam naast elkaar. Vaak zal er één weglopen, maar als ze even sterk zijn, kan een gevecht losbarsten. Tijdens een gevecht trachten de herten elkaar met hun gewei weg te drukken, waarbij soms verwondingen of afgebroken geweien voorkomen. De winnaar, ook wel plaatshert genoemd, dekt de hindes. Hij blijft daarvoor enige tijd bij de groep, de leidhinde blijft de groep echter leiden.

Hoe sterker en gezonder het mannetje, hoe groter zijn harem. Het succesrijkst zijn herten van een jaar of acht. Deze kunnen harems vormen van 10 à 20 hinden.

De mannetjes maken modderputten met hun gewei of ze gebruiken natte plekken in het terrein, die ze met urine en sperma besprenkelen (zoelbaden). Hierin wentelen ze zich. Met het laagje modder dat zo op hun huid ontstaat, imponeren ze de vrouwtjes. Als een hinde wil paren, brengt zij een speciale geur voort. Het mannetje wordt door deze geur aangetrokken. Hij achtervolgt de hinde en besnuffelt haar van alle kanten.

Na de bronst zijn de mannelijke dieren vaak uitgeput door de forse inspanningen, maar ook omdat ze gedurende ongeveer een maand nagenoeg geen voedsel tot zich nemen. Hun lichaamsgewicht kan tot dertig procent afnemen.

Eind mei- juni, na een draagtijd van acht en een halve maand, wordt één kalf (zelden twee) geboren dat bij de geboorte ongeveer 60 cm lang is. Hinden die een kalf verwachten, zonderen zich van het roedel af. Een kalf heeft witte vlekken op zijn vacht die na twee maanden weer verdwijnen. Het kalf kan al na enkele minuten lopen en na 7-10 dagen zijn moeder volgen. De eerste twee weken blijft het jong echter vaak alleen en komt de moeder alleen terug om het jong te zogen. Gedurende deze tijd drukt het jong zich tegen de grond, verscholen in hoog gras of tussen het struikgewas. Het jong wordt zo'n zes tot tien maanden gezoogd. Binnen de roedel vormen zich soms crèches van meerdere jongen, die vaak met elkaar spelen. Het kalf blijf twee jaar bij de moeder. Na ongeveer zeven jaar zijn de jongen volgroeid.

Mannetjes zijn na een tot drie jaar geslachtsrijp, vrouwtjes na twee á drie jaar. Jonge herten verlaten vaak hun geboortegebied zodra ze zelfstandig zijn. Hinden blijven meestal trouw aan hun geboorteplek en de woongebieden van deze hinden overlappen meestal met dat van hun moeder.

Edelherten worden maximaal vijfentwintig jaar oud, maar vaak niet ouder dan vijftien jaar. Het sterftecijfer is het hoogst onder kalfjes tussen de acht en elf maanden.

Bedreiging en bescherming

>

In Nederland heeft het edelhert geen natuurlijke vijanden, in andere landen zijn dat wolven en bruine beren. Andere bedreigingen zijn wegen, rasters en de jacht. Er vallen jaarlijks veel verkeerslachtoffers; van luchtballonnen raken edelherten in paniek (ze kunnen niet naar boven kijken) en ze vluchten voor struinende honden en lawaaimakende recreanten. Op de Veluwe wordt, omdat de edelherten binnen rasters leven, het aantal edelherten gereguleerd door de jacht.

Het is nodig dat er robuuste verbindingszones komen tussen het Veluwemassief en de uiterwaarden van grote rivieren of de Utrechtse Heuvelrug en dat er een halt wordt geroepen aan de toenemende versnippering door (wild)rasters, wegen, spoorlijnen en recreatievoorzieningen. Een vermindering of zelfs stopzetten van de jacht en het stoppen met bijvoeren kan ertoe leiden dat edelherten zich meer natuurlijk gaan gedragen.

Waarnemen

>

Geluid

Edelherten maken niet veel geluid. De hinden maken bij verstoring een scherp blaffend of grommend geluid. De jongen blaten, wat door de moederdieren met een schaapachtig geluid wordt beantwoord. In de bronsttijd (september en oktober) maken de mannetjes een brullend of loeiend geluid, ook wel burlen genoemd. Buiten deze tijd maken de mannetjes weinig geluid.

 

Vraatsporen

Vraatsporen van edelhert zijn te vinden aan korenaren. Edelherten rissen deze vaak af, ook wanneer het graan nog niet rijp is. Ook trekken ze onvolgroeide bieten uit of eten ze van volgroeide bieten. De brede snijtandafdrukken zijn dan vaak goed te zien, ze lijken op die van een mens die bijvoorbeeld een appel eet.

Edelherten hebben alleen snijtanden in hun onderkaak. Ze drukken hun ondersnijtanden tegen boomschors en trekken naar boven toe een lange reep los. Hierbij ontstaat aan de onderkant van de reep een scherp snijvlak en aan de bovenkant een rafelige rand. In de winter zit de schors vaster aan de boom en schrapen ze met de tanden stukken schors af. Hierdoor ontstaan tot op twee meter hoogte, brede tandafdrukken in de lengterichting van de stam. Dikwijls gebeurt schorsvraat aan een zijde, maar ook wel rondom de boom.

 

Veegsporen

In de late zomer of vroege herfst vegen edelherten de basthuid van hun gewei af (bastvegen). Dit doen ze meestal aan jonge, buigzame boompjes met laaghangende takken, maar ook wel aan wat forsere bomen. Hierdoor ontstaan krassen en inkervingen van de geweipunten in de schors en gaan er stukken bast van de boom af. Deze sporen zitten vaak op ongeveer 1 meter hoogte en meestal aan een kant van de boom.

In de bronstperiode slaan herten, als territoriummarkering en om te imponeren, tegen bomen en struiken (vallen ze als het ware aan). Hierdoor ontstaan geheel andere sporen. In de schors ontstaan diepe krassen op een hoogte tussen 60 en 120 cm, die meestal rondom de boom zitten en over meerdere bomen verspreid.
 

Uitwerpselen

Uitwerpselen van een edelhert zijn 13-18 mm in doorsnee en 15-30 mm lang. Het zijn dikke korte keutels met aan een kant een puntje. Ze zijn donkerbruin tot zwart en die van een vrouwtje zijn kleiner en dunner dan die van een mannetje. De uitwerpelsen van het vrouwtje hebben meer de vorm van een capsule, een mannetjeskeutel is meer kort en eikelvorming, met aan één zijde puntig en aan de andere zijde een holte. De uitwerpselen van edelhert zijn vaak in groepjes te vinden, in grasland waar ze gegraasd hebben of in bosrijk gebied.

 

Loopsporen

De hoefafdrukken van een mannetje zijn een stuk groter dan die van een vrouwtje. Een mannetje heeft 6-7 cm brede en 8-9 cm lange prenten en een vrouwtje 4-5 cm brede en 6-7 cm lange prenten. Afhankelijk van de manier van voortbewegen, zijn soms ook de bijhoeven te zien. De paslengte in stap bedraagt 80 tot 150 cm, in galop tot wel 3,5 meter.

Het edelhert maakt gebruik van wissels, regelmatig of veelvuldig belopen paadjes, die vaak ook door andere dieren worden gebruikt. Deze wissels zijn 30 cm of meer breed.

 

Overige sporen

In de lente is het edelhert in de rui en kunnen flinke plukken haar worden gevonden aan prikkeldraad, in legers en soms tegen de stam van schuurbomen. De haren zijn grijsbruin, dik en 55 mm lang. Ze voelen stroef aan en breken gemakkelijk.

In het voorjaar verliezen edelherten hun gewei. Deze geweien zijn moeilijk te vinden omdat ze nauwelijks opvallen in de bladlaag en ze door knaagdieren worden beknaagd en zo uiteindelijk verdwijnen.

Edelherten maken gebruik van modderbaden, ook wel zoelen genoemd. Deze bevinden zich diep in de bossen of aan randen van moerassen en plassen. Zowel mannetjes als vrouwtjes maken hier het gehele jaar door gebruik van.

 

Zicht

Edelherten zijn goed waar te nemen op de observatieplaatsen op de Veluwe en de Oostvaardersplassen. Met een verrekijker is goed te zien hoeveel er zich in de bosrand bevinden, want vaak is eerst alleen de leidhinde te zien. Vooral de bronstijd is een waar spektakel.