Dwergmuis

Dwergmuis (© Wesley Overman)

De dwergmuis (Micromys minutus) is met een kop-romp lengte van 50-80 mm het kleinste knaagdier van Europa. De dwergmuis heeft een geel- tot oranjebruine vacht met witte buik. Dankzij zijn kleine formaat en lange, beweeglijke staart klimt hij moeiteloos op riet- en grasstengels. Er kan verwarring optreden andere ware muizen.

Uiterlijke kenmerken

>

Uiterlijk

De dwergmuis heeft een tweekleurige vacht. De bovenkant is geelbruin tot oranjebruin en de onderkant is wit tot vuilwit. Deze twee kleuren zijn duidelijk van elkaar gescheiden (deze scheidingslijn noemt men de demarcatielijn). De vacht is in de winter donkerder dan ’s zomers. De dwergmuis heeft een lange, beweeglijke, staart die tweekleurig is en een pluimpje heeft wat bij het ouder worden afslijt. De ogen zijn klein en de snuit is stomp. De oorschelpen steken nauwelijks uit de vacht en zijn klein en behaard. De dwergmuis gebruikt zijn staart als grijporgaan.

 

Afmetingen

lengte kop-romp: 50-80 mm
lengte staart: 45-75 mm
gewicht: 4-12 g

Ecologie

>

Leefgebied en verspreiding

Het verspreidingsgebied van de dwergmuis ligt in bijna geheel Europa, van Engeland en Frankrijk tot Zuid-Finland, Turkije en de Kaukasus. Ze ontbreken in het grootste deel van Scandinavië, Schotland, Italië, het Iberisch Schiereiland, Ierland, IJsland en de westkust van de Balkan. Ook in hooggebergte ontbreekt de soort. In Azië komen ze voor tot in Japan.

In Nederland komt de dwergmuis vrijwel overal voor en kan hij lokaal vrij algemeen zijn. Op de Waddeneilanden is de dwergmuis waarschijnlijk met stro ingevoerd. De Noord-Oostpolder en Flevoland heeft de dwergmuis vanzelf gekoloniseerd.

De dwergmuis komt voor in hoog gras, zeggen en graan- en rietvelden, ruigten en dijkbegroeiing, maar ook in kreupelhout, houtwallen, hagen, braamstruiken en in de duinen. Hij heeft geen duidelijke voorkeur voor droge of natte gebieden. Vooral de aanwezigheid van hoogopgaande dichte vegetatie is van belang. De soort komt nauwelijks voor in intensief gemaaide gebieden. In de winter zoeken de dieren soms graanschuren, hooimijten of strobalen op.

 

Leefwijze en voedsel

Van het voorjaar tot het najaar leeft de dwergmuis voornamelijk bovengronds en dan vooral in hoge grassen, planten en aren en is ’s nachts actief. In de winter leven ze meer op de grond en zijn dan meer overdag actief. Ze kunnen zeer goed klimmen, zelfs in grasstengels zonder op de grond te komen. Dit klimmen doen ze met behulp van hun staart. Bij verstoring laten ze zich direct op de grond vallen om zich daar verder te verplaatsen. De dwergmuis leeft vrijwel solitair, behalve in de paartijd want dan komen ze bij elkaar om een nest te maken en te paren.

De dwergmuis heeft een gevarieerd menu en eet zowel plantaardig als dierlijk voedsel. Zo eet hij zaden, granen, vruchten, bessen, knoppen, jonge scheuten, zacht fruit, mossen, paddenstoelen, wortels en grassen. Daarnaast eet hij ook insecten, motten, sprinkhanen en rupsen. De samenstelling van zijn dieet is afhankelijk van het seizoen. Zo eet de dwergmuis in de lente meer jonge scheuten, grassprieten en knoppen en vormen insecten 's winters een belangrijk onderdeel van zijn voedsel. Ze lusten ook honingdauw (wat door bladluizen wordt geproduceerd) en nectar van bloemen. Bij het eten van graan gebruiken ze hun staart om in de stengel te klimmen en bij de aar te kunnen. Door zijn actieve manier van leven, moet de dwergmuis dagelijks 1/3 van zijn lichaamsgewicht eten om in leven te blijven.

 

Territorium en verblijfplaats

Mannetjes en vrouwtjes hebben elk hun eigen leefgebied. De leefgebieden van de mannetjes overlappen elkaar, terwijl die van de vrouwtjes elkaar niet tot nauwelijks overlappen. De grootte van een leefgebied is, afhankelijk van de kwaliteit, 200-900 m2 groot, Dichtheden tot 250 dieren per ha komen voor. De nesten die als rust- en verblijfplaats worden gebruikt, bevinden zich vaak tot op 1 meter hoogte in stengels van ruigte en rietzomen, maar ook in pijpenstrootje op vergraste heidevelden en randzones van graanakkers. Hoe later in het plantengroeiseizoen, hoe hoger de vegetatie en hoe hoger de nesten zich bevinden. Het nest is ongeveer 4 cm in doorsnee en wordt gemaakt van in elkaar geweven grassprieten. Deze grassprieten worden dun gerafeld en blijven aan de stengels vastzitten, waardoor ze lang groen blijven en daardoor is het nest goed gecamoufleerd in de vegetatie. In de herfst verdorren ze en worden ze beter zichtbaar. In de winter bevindt het nest zich laag in een graspol, onder een heg of in strobalen.

De slaapnesten zijn minder stevig gebouwd dan de kraamnesten. De dwergmuis maakt ook wel eens vrijstaande of hangende nesten in bomen. Het nest waarin de jongen worden geboren, wordt gezamenlijk door het mannetje en vrouwtje gemaakt. Het is steviger dan het gewone nest. Ze splijten grassen met hun snijtanden, waarbij het gras aan de stengel blijft. Daarna weven ze stukken aaneen, waardoor een rond frame ontstaat met een diameter van 6-10 cm. Ze steken andere grassen door de rand en bekleden het nest vervolgens met lagen zacht gekauwd gras of pluizig materiaal. Deze nesten hangen ongeveer 60-100 cm boven de grond en hebben meestal geen duidelijke ingang. Het nest is zo elastisch dat het met het groeien van de jongen kan uitdijen.

De voortplantingstijd van de dwergmuis loopt van april tot oktober. Een mannetje en vrouwtje maken na het paren samen een nest, waarna het vrouwtje het mannetje verdrijft. Na een draagtijd van 21 dagen worden 2 tot 6 (gemiddeld 5) jongen geboren. De jongen worden kaal en blind geboren en wegen slechts 0,7 gram. Al gauw krijgen ze een grijsbruine vacht en kunnen ze grijpen en kruipen. Na ongeveer acht dagen gaan hun ogen open, krijgen ze tanden en kunnen ze vast voedsel eten. Als ze vijftien dagen oud zijn, wegen ze ongeveer 3,5 gram. Dan worden de jonge dwergmuizen gespeend en moeten ze voor zichzelf zorgen. Meestal worden ze weggejaagd door hun moeder die dan vaak opnieuw drachtig is. Met twee maanden zijn ze geslachtsrijp en kunnen ze meedoen aan de voortplanting. In een seizoen kunnen zich zo wel vier generaties voortplanten.
Dwergmuizen worden gemiddeld enkele maanden oud tot 1,5 jaar. In gevangenschap kunnen ze wel 5 jaar oud worden. In de eerste twee levensmaanden is de sterfte onder dwergmuizen, onder invloed van weersomstandigheden het hoogst.

Bedreiging en bescherming

>

Natuurlijke vijanden van de dwergmuis zijn voornamelijk kerkuil, ransuil en torenvalk.
Daarnaast vormen landontginning en –bewerking (zoals besproeiing van gewassen, het gebruik van combines, platbranden van stoppelveldjes en bebouwing) een bedreiging voor de dwergmuis. Vooral bij machinale oogst treedt er vaak massale sterfte op onder de jongen die dan nog in het nest verblijven. De soort is niet bedreigd, maar komt nergens algemeen voor.

Waarnemen

>

Geluid

De dwergmuis is meestal stil maar kan soms tjirpen, kwetteren en piepen. Dit laatste doen vooral de jongen. Ook brengen de jongen zeer hoge ultrasone geluiden voort, van 100 kHz. Mannetjes hebben een soort baltsgeroep.

 

Vraatsporen

De dwergmuis laat vraatsporen achter op graankorrels die kenmerkend zijn voor deze soort. Door zijn geringe gewicht kan de dwergmuis namelijk in de aar klimmen om de korrels eruit te eten. Andere muizen moeten de stengel doorknagen om bij de aar te kunnen. De aangevreten graankorrels vertonen kleine tandafdrukken of zijn uitgehold en hangen vaak nog aan de aar. Ook klimmen dwergmuizen wel eens in papavers en andere planten om de zaaddozen leeg te eten. Hierbij is echter moeilijk onderscheid te maken tussen het knaagspoor van de dwergmuis en het pikspoor van vogels.

 

Uitwerpselen

Uitwerpselen van de dwergmuis zijn 2-3 mm lang en hebben een fijne, kruimelige structuur. Afhankelijk van het gegeten voedsel zijn de uitwerpselen bruin of groen van kleur. Oude exemplaren zijn zwart. Keutels zijn behalve in nesten, zelden te vinden want ze zijn erg klein.

 

Loopsporen

De pootafdrukken van de voorpoot van de dwergmuis zijn 6 mm lang en 8 mm breed en die van de achtervoet zowel 10 mm lang als breed. De voorpoot heeft 4 tenen, de achterpoot 5. Loopsporen zijn zelden te vinden omdat het dier zich voortbeweegt tussen de vegetatie, daarbij gebruik makend van de soepele grijpstaart.

 

Bewoningssporen

In de winter zijn de nesten van de dwergmuis makkelijk in hoog gras en riet te vinden. Met enig geduld zijn ze zelfs bij het nest te zien.

 

Braakballen

Schedels kunnen in kleine percentages worden aangetroffen in braakballen van kerkuil, in grote percentages in braakballen van ransuil en steenuil.

 

Vangen

De aanwezigheid van dwergmuizen in een gebied kan vastgesteld worden door live-traps uit te zetten. Dit werkt alleen in de herfst en winter omdat de dieren dan pas op de grond leven.