Damhert

Damhert (© Bas Worm)

Het damhert (Dama dama) staat met een schofthoogte van 90 centimeter tussen grootte van ree en edelhert in. De kleur van zijn vacht is oorspronkelijk roodbruin, zwart of gevlekt, maar er komen veel kleurvarianten voor. Tijdens de ijstijd werd de soort teruggedrongen tot Zuidoost-Europa, Iran en Turkije. De Romeinen hebben de soort daarna in hun rijk uitgezet en tegenwoordig komt het damhert weer voor in grote delen van Europa.

Het woord ‘dama’ is op het indogermaans en persische woord Dama/dam terug te voeren wat zoveel zou betekenen als ‘tam’ of ‘huisdier’. Het woord ‘hert’ is afgeleid van het Germaanse xeruta, wat gehoornd dier betekent. Het damhert behoort tot de familie Herten. Gemeenschappelijke kenmerken van herten zijn dat de mannetjesdieren (behalve rendieren) een gewei dragen dat jaarlijks wordt afgeworpen en opnieuw en groter aangroeit. Ook zijn het herkauwers. De familie van de holhoornigen, zoals moeflon en runderen, vallen ook onder de orde van Evenhoevigen. Zij dragen geen gewei maar hoorns. Dit zijn blijvende uitsteeksels aan de kop van beide geslachten van dieren. Een mannetje bij de hertenfamilie heet hert of bok (ree), een vrouwtje hinde of geit (ree).

Uiterlijke kenmerken

>

Uiterlijk

Het damhert staat wat formaat betreft tussen ree en edelhert in. De kleur van zijn vacht is oorspronkelijk roodbruin, zwart of gevlekt, maar er komen (ook binnen één roedel) veel kleurvarianten en zelfs effen zwart en geheel witte exemplaren voor. Bovendien heeft het damhert een zomervacht en wintervacht die qua kleur van elkaar verschillen. De wintervacht is meestal grijs-beige en vertoont enkele lichtere vlekken, de zomervacht die na een verharingsperiode van circa 40 dagen verschijnt is kastanjebruin met soms witte vlekken. Bij alle dieren loopt een donkere aalstreep vanaf de staartwortel over het laatste deel van de rug. Het achterwerk, ook wel spiegel genoemd, is vaak wit (niet altijd) met een zwarte middenstreep en aan de bovenzijde zwart omrand.

Zijn staart is opvallend lang met aan de bovenzijde een donkere lengtestreep. Hij heeft donkere ogen, grote oren die duidelijk aan de zijkant van de kop uitsteken. Zijn snuit is spits met een zwarte neusspiegel en duidelijk zichtbare neusgaten. De witte vlek op de onderlip (zoals bij ree en hert) ontbreekt.

Volwassen mannetjes hebben een opvallende adamsappel en een schoffelvormig gewei. Het formaat van het gewei hangt sterk af van erfelijke eigenschappen, leeftijd en conditie. Hierdoor varieert zelfs bij herten van dezelfde leeftijd het gewei in vorm en grootte. In het tweede jaar is het gewei spiesvormig en vanaf het derde jaar ontwikkelen zich zijtakken en wordt het gewei handvormig. Een geweistang (1 zijde van het gewei) kan circa 50 cm lang worden. Als een damhert 8-12 jaar is, heeft het gewei zijn maximale grootte bereikt en op latere leeftijd wordt het weer kleiner . Het gewei wordt elk jaar weer in april of mei afgeworpen, waarna het gelijk weer begint aan te groeien. Het gewei is eerst bedekt door de basthuid, een dunne laag vaten met huid . Die basthuid wordt in augustus en september afgeschuurd, waarna het bekende hoornige gewei bloot komt te liggen.

 

Afmetingen

Lengte kop-romp: mannetjes: 130-170cm en vrouwtjes: 110-140cm
Schofthoogte: mannetjes: 85-95cm en vrouwtjes: 75-90cm
Lengte staart: 15-20cm
Gewicht: mannetjes: 50-100kg en vrouwtjes: 35-55kg
Gewei: per stang tot 50cm lang

Ecologie

>

Leefgebied en verspreiding 

Voor de laatste ijstijd kwam het damhert in een groot deel van Europa voor. Tijdens de ijstijd werd het teruggedrongen tot Zuidoost-Europa, Iran en Turkije. De klassieke Romeinen begonnen met het uitzetten van het damhert in hun hele rijk en tegenwoordig komt het damhert voor in het zuiden van Zweden en Finland, op de Britse eilanden, in West- en Midden-Europa (van Noord-Frankrijk en de Benelux tot de Baltische staten en Roemenië en in geïsoleerde populaties in Italië en het Iberisch Schiereiland). Vanuit Europa is de soort ingevoerd in onder andere de Verenigde Staten, Argentinië, Zuid-Afrika, Australië en Nieuw-Zeeland. De Normandiërs hebben het damhert al in de 11e eeuw ingevoerd in Engeland.

Grote vrij levende populaties (vele honderden dieren) komen voor in de duingebieden van Kennemerland (Nationaal Park Zuid-Kennemerland, de Amsterdamse waterleidingduinen), Schouwen-Duiveland (Kop van Schouwen), de Veluwe en een kleinere populaties in de Manteling van Walcheren, het Horsterwold en op de Utrechtse Heuvelrug. Vanuit deze natuurgebieden zwerven dieren regelmatig uit naar de omgeving. Door het hele land worden damherten gehouden op kinderboerderijen en hertenkampen. Daar ontsnappen wel eens dieren zodat er verspreid over Nederland in vrijwel elke provincie meerdere groepjes in de vrije natuur voorkomen.

Het damhert komt vooral voor in lichte loofbossen en gemengde bossen, minder vaak in uitgestrekte naaldbossen. Hij heeft een voorkeur voor oudere bossen met een dichte onderbegroeiing. Belangrijk is dat er voldoende gras is. Ook komt hij voor in randzones bij open plekken, graslanden en akkerranden en in parkachtige bosgebieden. In Spanje komt het damhert ook in moerasgebieden voor.

 

Leefwijze en voedsel 

Damherten zijn van nature dagdieren maar door de jacht en in verstoorde gebieden zijn ze schemeringsdieren geworden. Overdag rusten en herkauwen ze in de ondergroei van het bos of op een afgelegen grasland. Het damhert kan goed zwemmen en springen en verplaatst zich met sprongen tot 2,5m ver en 2 meter hoog. Het reukvermogen, gezichtsvermogen en gehoor van het damhert zijn uitstekend. Een hert dat gevaar ruikt, licht zijn staart op om zo de andere te waarschuwen.

Damherten leven in roedels. Na de paartijd leven de mannetjes in vrijgezellengroepjes, terwijl de vrouwtjes (hinden) met hun jongen van dit en het voorgaande jaar in groepjes van vijf tot zeven dieren samenleven. Een hindenroedel wordt geleid door een dominant vrouwtje.
Het damhert eet uitsluitend plantaardig voedsel. Het voedt zich met grassen, biezen en kruiden, aangevuld met jonge (boom)bladeren, dennen- en sparrennaalden, bessen, eikels, beukennoten, granen, wortelen en 's winters schors, hulst en heide.

 

Territorium en verblijfplaats 

Het damhert is buiten de bronsttijd niet territoriaal en heeft ook geen vaste verblijfplaats. De groepssamenstelling is zeer wisselend. Vaak leven herten en hindes met jongen in de lente en zomermaanden in aparte roedels. In de wintermaanden leven herten en hindes doorgaans samen. Tijdens de bronsttijd ontstaan er jeugdgroepen. Per roedel hebben de damherten vaste leefgebieden, die vaak met elkaar overlappen en zich dicht bij de bronstplaats bevinden. De leefgebieden van mannetjes zijn meestal groter dan die van de vrouwtjes.

Afhankelijk van het voedselaanbod leven er 3 tot 10 dieren per 100 ha., maar er zijn ook veel hogere dichtheden (tot 180 dieren per 100 ha) waargenomen.

 

Voortplanting en leeftijd 

De voortplantingsperiode (ook wel bronsttijd genoemd) duurt van de tweede helft van oktober tot begin november. Voorafgaand aan deze periode gaan de mannetjes gevechten aan voor een bronstplaats. Meestal zijn dit schijngevechten, maar echte gevechten komen voor. Er vallen zelden doden. De veroverde bronstplaats (of ‘lek’) wordt gemarkeerd door langs de bomen te schuren. Met de hoeven krabt het mannetje een ondiepe kuil in de grond, die hij besproeit met urine en sperma waarin hij zichzelf wentelt. Hiermee en met luide brullen lokt het mannetje de hindes.

In mei tot juli, na een draagtijd van 230 dagen, wordt één kalf (zelden twee) geboren. Het kalf weegt ongeveer 4,5 kg en heeft hetzelfde kleurenpatroon als volwassen dieren. Het kalf houdt zich de eerste weken verscholen in de vegetatie, maar het kan zijn moeder al volgen. Na twaalf weken trekt het grazend met de moeder mee maar wordt af en toe nog gezoogd. Na 5 tot 10 maanden wordt het jong gespeend.

Vrouwtjes zijn na zestien maanden geslachtsrijp, mannetjes na 7-14 maanden. Jonge mannetjes hebben weinig kans zich voort te planten, aangezien ze nog niet sterk genoeg zijn om een lek te veroveren. Een hinde kan 16 jaar oud worden, een hert 8 tot 10 jaar. In gevangenschap zelfs twintig jaar.

Bedreiging en bescherming

>

Het damhert heeft geen natuurlijke vijanden in Nederland. Jacht en verkeer vormen de belangrijkste onnatuurlijke doodsoorzaken. Ook sterfte van pasgeboren jongen komt vaak voor.

Waarnemen

>

Geluid 

Het damhert is meestal zwijgzaam. Een kalfje en zijn moeder maken blatende geluiden naar elkaar. Bij gevaar laat een hinde korte, heftige blafjes horen en bij pijn slaken damherten een langgerekt geblaat. In de bronsttijd maken mannetjes luide, boerende en knorrende roepen en hindes ’miauwen’ tijdens de bronst.

 

Vraatsporen

Vraatsporen van het damhert zijn te vinden op boomschors en –bast. In de zomer scheuren ze laag bij de grond met de ondertanden repen af (schilsporen). Aan de bovenzijde blijft zo een grofrafelige rand achter en aan de onderzijde een scherp snijvlak. In de winter schrapen ze met de tanden stukken schors af, die dan droger is en vaster op het hout zit. Hierdoor ontstaan tot op twee meter hoogte, brede tandafdrukken in de lengterichting van de stam. Dikwijls gebeurt schorsvraat aan een zijde, maar ook wel rondom de boom.

 

Veegsporen

In de late zomer of vroege herfst vegen damherten de basthuid van hun gewei af (bastvegen). Dit doen ze meestal aan jonge, buigzame boompjes met laaghangende takken, maar ook wel aan wat forsere bomen. Hierdoor ontstaan krassen en inkervingen van de geweipunten in de schors en gaan er stukken bast van de boom af. Deze sporen zitten vaak op ongeveer 1 meter hoogte en meestal aan een kant van de boom.

In de bronstperiode slaan herten tegen bomen en struiken. Hierdoor ontstaan geheel andere sporen. In de schors ontstaan diepe krassen die meestal rondom de boom zitten en over meerdere bomen verspreid.

 

Uitwerpselen

Uitwerpselen van het damhert zijn circa 15 mm lang en bij een mannetje 10 mm in doorsnede, bij een vrouwtje 8 mm in doorsnede. Ze zijn donkergroen, bruin of zwart en eikelvormig. Het formaat is iets kleiner dan van een edelhert.

 

Loopsporen

Pootafdrukken van een mannetje zijn 5 cm breed en 8 cm lang. Die van een vrouwtje 3,5-4 cm breed en 5-6 cm lang. De pootafdrukken zijn aan de bovenzijde smaller dan aan de onderzijde en met spitse hoefpunten. Ze zijn gemakkelijk te verwarren met pootafdrukken van andere hoefdieren, hoewel smaller dan edelhert. De afstand tussen de pootafdrukken is in stap 60 cm en in galop 150-200 cm tot 250 bij een mannetje.

Op plekken waar het damhert beken, sloten, paden en dergelijke kruist, zijn vaak wissels te vinden. Deze hebben een breedte van 30 cm of meer. Vaak zijn hier ook pootafdrukken te vinden, vooral bij watergangen, omdat ze dan een aanloopje nemen om eroverheen te springen.
Zowel jonge als oudere dieren zitten elkaar soms achterna in cirkels, bijvoorbeeld om een boom of boomstobbe, waardoor een platgetreden loopspoor ontstaat van ongeveer 3 meter in doorsnee.

 

Zicht

De meeste kans om een damhert te zien, maakt men in de ochtend- of avondschemering. Een damhert springt vaak niet onmiddellijk weg, maar verstart binnen gezichtsafstand, waardoor hij goed te bekijken is als men stil blijft staan. Bij nadering zal hij de afstand vergroten of wegspringen.