Beverrat

Beverrat (© Maaike Plomp)

De beverrat (Myocastor coypus) is een zwaar gebouwd knaagdier met een brede hoekige kop. Hij is in de 20ste eeuw uit Zuid-Amerika ingevoerd voor de bontkwekerij, en sindsdien hebben ontsnapte of losgelaten exemplaren zich in het wild kunnen voortplanten. De beverrat leeft in gebieden met water, zowel stromend als stilstaand, en met een rijke oevervegetatie.

Uiterlijke kenmerken

>

Uiterlijk

De beverrat is een zwaar gebouwd knaagdier met een brede hoekige kop. Zijn vacht bestaat van nature uit een glanzend bruine tot geelbruine bovenvacht en een grijze ondervacht. De buik is wat lichter van kleur. In fokkerijen werd gepoogd de lichtere buik weg te kweken en werden kleuren geselecteerd (mokkabruin, pikzwart, geelbruin e.d.), zodat er nu ook andere kleurvariaties zijn. De ondervacht is waterdicht en de wintervacht is dikker dan de zomervacht. De snuit en kin van jonge dieren zijn licht van kleur, soms houdt dit stand. De meeste snorharen zijn wit, behalve de bovenste snorharen, die zwart zijn. De snorharen worden tot 130 millimeter lang. Hij heeft een schaars behaarde staart die uitloopt in een punt en die korter is dan het lichaam.

De voorpoten hebben klauwen en tussen de tenen op de achterpoten heeft een beverrat zwemvliezen tussen de 4 binnenste tenen. Zowel de voorvoet als de achtervoet heeft vijf tenen. De neusgaten en de mond (achter de snijtanden) kunnen worden gesloten, en de ogen, neusgaten en kleine oren zijn klein en zitten hoog op de kop. De ogen zijn donker en de oren behaard en duidelijk zichtbaar. De neus, oren en ogen liggen op één lijn. De beverrat heeft duidelijk zichtbare snijtanden die oranje van kleur zijn; bij mannetjes donkeroranje en bij vrouwtjes geeloranje. De tepels van de vrouwtjes bevinden zich niet aan de buikzijde, maar aan de zijkant/rugzijde.

De beverrat is een exoot en werd en wordt in het wild gevangen of gefokt voor zijn pels, die in kleding wordt verwerkt. Hij wordt ook wel moerasbever genoemd.

 

Afmetingen

lengte kop-romp: 42-65 cm
lengte staart: 30-45 cm
gewicht: 4-8(12) kg
Mannetjes worden groter en zwaarder dan vrouwtjes.

Ecologie

>

Leefgebied en verspreiding

De beverrat leeft in gebieden met water, zowel stromend als stilstaand, en met een rijke oevervegetatie. Dit zijn rivierlopen, kleiputten, grindgaten, moerassige gebieden, kleine en traag stromende rivieren, estuaria en kusten. Ook leeft de beverrat wel in zoute milieus.

De beverrat is in de 20ste eeuw uit Zuid-Amerika, waarschijnlijk vanuit Argentinië, ingevoerd voor de bontkwekerij. Sindsdien hebben ontsnapte of losgelaten exemplaren zich in het wild kunnen voortplanten, waardoor hij ook in West-Europa, de Verenigde Staten, Afrika, Japan en het Midden- Oosten voorkomt. In Nederland komt hij vooral voor in Limburg langs de Maas, Swalm, Niers en de Roer. Daarnaast zijn beverratten aangetroffen op de Zuidhollandse eilanden, in de Biesbosch, door Gelderland verspreid tot in de Linge, in Overijssel rond Kampereiland en in het Zwarte Meer, maar deze verspreiding is intussen aanzienlijk geringer (gemaakt).

 

Leefwijze en voedsel

De beverrat is voornamelijk in de schemering en 's nachts actief. Maar hij houdt ook erg van zonnen. In koude winters en in gebieden of terreindelen zonder predatoren is hij ook overdag actief. Hij kan goed zwemmen en duiken. Zo kan hij tot 5 minuten onder water blijven en als hij zwemt, maakt hij krachtige slagen afwisselend met de voorpoten en achterpoten. Op het land beweegt hij zich waggelend en langzaam voort.

De beverrat leeft in familiegroepjes van verwante vrouwtjes, waarvan de woongebieden gedeeltelijk overlappen. Ook overlappen de woongebieden van de vrouwtjes met dat van het dominante mannetje. Ondergeschikte mannetjes leven meer aan de rand van de woongebieden en oudere dieren leven solitair. Zogende vrouwtjes zijn dominant over mannetjes, en kunnen zich tegen hen agressief gedragen.

De beverrat besteedt veel tijd aan het verzorgen van de vacht. Met de tanden en de voorpoten wordt de vacht gekamd. De beverrat is een echte planteneter en zijn voedselvoorkeur is afhankelijk van de tijd van het jaar, maar hij eet voornamelijk water- en oeverplanten zoals riet. In het voorjaar zijn dit de scheuten, stengels, bladeren en vruchten, maar ook (schijn)grassen en zeggen. In de winter zijn dit de wortelstokken en daarnaast bast van bomen en struiken, waaronder verschillende soorten wilg. Hij eet ook allerlei landbouwgewassen zoals maïs, suikerbiet, wortels, koolsoorten en knollen. Soms eet hij zoetwatermosselen. Ook eet hij zijn eigen ontlasting, omdat, net als bij konijnen, niet alle voedingsstoffen meteen worden opgenomen.

De beverrat haalt veel voedsel van onder water en eet zijn voedsel op de oever op. Hij zit meestal op zijn achterpoten om zijn voedsel op te eten. Bij het zoeken naar voedsel, worden honderden meters oever afgezocht. De beverrat verplaatst zich vrij snel over grotere afstanden, om voedsel te zoeken, om onrust te ontlopen of om luwteplekken op te zoeken. Op het land gaan de dieren vaak niet verder dan 50 meter uit de oever, maar ze gaan ook wel honderden meters landinwaarts.

 

Territorium en verblijfplaats

Iedere beverrat heeft een eigen leefgebied, maar er is veel overlap. De grootte van een leefgebied is afhankelijk van de kwaliteit van een leefgebied en is 50-85 ha groot. Gemiddeld over 8 dieren home-range 13,5 ha.

In oeverzones, moerassig terrein, oude kleiputten of grindgaten, graaft de beverrat gangen met een doorsnede van 20-25 cm en kamers van 30 cm-1 m in doorsnede. Tezamen vormen ze een burcht en die bestaat uit een stelsel van meestal enkele gangen (maar 5-10 komt ook voor) met daarin één of enkele kamers. De ingangen hiervan liggen meestal op of iets boven de waterspiegel, maar als de beverrat een woning van de muskusrat overneemt, blijft de toegang ook wel onder water liggen. Soms worden oude holen van muskusratten verwijd en in gebruik genomen. Bij kou worden de gangen met droog plantenmateriaal dichtgestopt. In een kamer maakt de beverrat een plat nest van dode grassen.

Bij gebrek aan steile oevers maken beverratten nesten (ook wel legers genoemd) tussen de vegetatie aan oevers of akkerranden. De legers liggen vaak op enige afstand van het water en meestal in de buurt van voedselbronnen. Ze bestaan uit bladeren, takken of plat gevouwen stengels en zijn 45-55 cm in doorsnede en soms heeft de plantenhoop ook gangen. In getijdengebieden wordt het nest zo in elkaar gezet, dat het plateau hoog in de vegetatie ligt en steeds droog blijft.

 

Voortplanting en leeftijd

De beverrat kan zich het gehele jaar door voortplanten. Als er echter te weinig voedsel te vinden is of het drachtige vrouwtje verkeerd in slechte conditie, wordt soms ongeveer de helft van de embryo's niet geboren, maar worden deze geaborteerd en gereabsorbeerd.

Na een draagtijd van 127-138 dagen worden 2-9 jongen geboren. De jongen worden volledig behaard en met de ogen open geboren en wegen 200-225 gram. Ze worden alleen door het vrouwtje verzorgd. Zij zoogt de jongen en hierbij kan het vrouwtje op haar buik liggen, omdat de tepels opzij zitten. Door deze hoge ligging van de tepels kan het vrouwtje ook in het water zogen, maar meestal worden de jongen in het nest gezoogd. Binnen enkele dagen kunnen de jongen zwemmen en lopen. Ze spelen veel in het water. Na 6-10 weken worden ze gespeend. Vrouwtjes zijn na 3-8 maanden geslachtsrijp, mannetjes na 4-10 maanden. Na twee jaar zijn de dieren volgroeid.

De beverrat kan 12 jaar worden, maar meestal worden beverratten niet ouder dan enkele jaren. In populaties die bestreden worden, is er een onnatuurlijk verloop en sterven de dieren vroegtijdig.

Bedreiging en bescherming

>

De belangrijkste natuurlijke vijanden van de beverrat in Europa zijn hermelijn, kiekendief en hond. Jonge dieren worden gevangen door uilen, buizerds, nerts, bunzing, otter, vos, huiskat en snoek. De beverrat kan aan roofdieren ontsnappen door voor enkele minuten onbeweeglijk in het water te liggen.

Strenge winters vormen ook een bedreiging, omdat veel beverratten de hongersdood sterven als de sloten en plassen zijn bevroren. Op deze manier kunnen hele populaties uitsterven. Met enige regelmaat worden beverratten aangetroffen die als gevolg van vorst een aantal tenen of een deel van de staart missen.

De beverrat zelf kan in poldergebieden en bij rivieren een bedreiging vormen voor de dijken, die verzwakt worden als de beverrat holen in de dijk graaft. Daarom wordt hij actief bestreden onder verantwoording van waterschap of provincie, die hiervoor bestrijders in dienst heeft.

Waarnemen

>

Geluid

De beverrat kan grommende, blatende of miauwende geluiden maken. Ook kan hij met de tanden klapperen.

 

Vraatsporen

Vraatsporen van de beverrat zijn te vinden op stengels, blad en kolven van maïs. Op suikerbieten zijn duidelijke afdrukken van de brede snijtanden te zien. Ook afgebeten stengels van water- en oeverplanten kunnen het werk zijn van de beverrat. De beverrat knaagt ook aan de bast van stammen en enkele cm's dikke takken van bomen (met name wilgen) in het water of aan de oever. Ook knaagt hij takken af. Het snijvlak van de afgeknaagde takken is scherp en schuin. Op zoetwatermosselen laten beverratten krassen achter en vaak zijn de zijranden flink gehavend. De snijbreedte van de voortanden is rond de 7 mm (dit is ongeveer het dubbele van de snijbreedte bij de muskusrat en een tot twee millimeter minder dan de snijbreedte van een voortand van de bever).

 

Uitwerpselen

Uitwerpselen van de beverrat zijn 15-55 mm lang en 10-15 mm in doorsnede. Ze zijn cilindrisch, vaak in de lengte gegroefd, groenbruin tot zwart en bestaan uit fijne plantenresten. Aanvankelijk glimmen ze als gevolg van de aanwezigheid van een oliefilmpje dat er tevens voor zorgt dat ze blijven drijven. Na verloop van tijd verdwijnt dit olie filmpje en zinkt de keutel. Beverratten deponeren hun uitwerpselen in het water of langs de waterkant.

 

Loopsporen

De afdrukken van de voorvoet en de achtervoet van de beverrat verschillen sterk in formaat. De voorvoet is 40-50 mm breed en 50-60 mm lang en de achtervoet is tot 7-9 cm breed en ongeveer 12-16 cm (tot het eerste gewricht) mm lang. De nagels zijn duidelijk zichtbaar. De achtervoet heeft bovendien ook zwemvliezen (behalve tussen teen 4 en 5), waarvan de afdruk vaak te zien is. Naast de pootafdrukken is ook vaak een sleepspoor van de staart te zien.

 

Overige sporen

In modderige oevers, waar de beverrat vaak op dezelfde plek het water in- en uitgaat, ontstaan glijbanen of opgangen van 20-30 cm breed. Door de afwijkende kleur ten opzichte van de rest van de oever, zijn ze vaak duidelijk herkenbaar. Soms staan er sporen van de nagels in. Ook in rietvegetaties en andere oeverbegroeiingen kunnen zo tunnels ontstaan van = 30 cm breed die gemaakt zijn door de beverrat en die duidelijk herkenbaar zijn. Bevers en otters maken vergelijkbare opgangen en in gebieden waar deze soorten naast elkaar voorkomen zijn de soorten door elkaar te halen en moet naar aanvullende sporen gezocht worden.