Baardvleermuis

Baardvleermuis in winterslaap (© Bernadette van Noort)

Uiterlijke kenmerken

>

De baardvleermuis (Myotis mystacinus) is een kleine soort van 4 tot 8 gram met een spanwijdte van 19 tot 22,5 cm. Hij heeft een lichte, grijzige buikvacht en een donkerbruine tot geelbruine rugvacht. De snoet en de onderarmen zijn donkerbruin tot zwart. De oren van de baardvleermuis zijn kort, donkerbruin en relatief spits uitlopend. De tragus van de baardvleermuis reikt bijna tot de helft van het oor en heeft een spitse punt.

De baardvleermuis wordt ook wel de gewone baardvleermuis genoemd. Dit om hem te onderscheiden van de Brandt's vleermuis (Myotis brandtii), die ook wel grote baardvleermuis wordt genoemd. Deze twee soorten zijn bij zichtwaarnemingen en met de batdetector niet of zeer moeilijk van elkaar te onderscheiden. Tot nu toe zijn beide soorten alleen op grond van gebitskenmerken en bij mannetjes aan de vorm van de penis met zekerheid van elkaar te onderscheiden. Zie een vleermuizen- of zoogdiergids voor meer informatie over deze determinatiekenmerken.

Ecologie

>

Biotoop en jachtgedrag

Baardvleermuizen worden vooral aangetroffen in bossen, aan bosranden en in kleinschalige gesloten landschappen. Daarbij jagen ze vooral in open ruimtes, zoals boven paden, beken, open plekken en langs houtwallen. Meer dan de andere soorten jaagt hij ook in of bij naaldbos.
Tijdens het jagen vliegen baardvleermuizen vaak dezelfde trajecten boven paden of langs bosranden of vliegen ze steeds dezelfde rondjes boven een open plek. Baardvleermuizen vangen insecten uit de lucht zonder veel van de vliegbaan af te wijken. Het zijn vooral kleinere prooidieren zoals dansmuggen, langpootmuggen, steenvliegen, haften, kleine libellen, kevers en nachtvlinders.
Baardvleermuizen keren tijdens de nacht zelden terug naar hun verblijfplaats, maar rusten tijdens de jacht regelmatig uit door ergens aan een boomstam of tak te gaan hangen.

 

Verblijfplaatsen

De baardvleermuis bewoont in de zomer bomen, nest- of vleermuiskasten, zolders, of de ruimte achter gevelbetimmeringen en vensterluiken van gebouwen. Kraamkolonies bereiken groottes van 10 tot 100 individuen. Het merendeel van de dieren jaagt binnen een afstand van 1 tot 3 km van de verblijfplaats. De baardvleermuis vliegt bij voorkeur langs lijnvormige structuren in het landschap. 
Als winterverblijf worden vooral ondergrondse ruimten gebruikt: mergelgroeven, bunkers, forten, vestingwerken, oude steenfabrieken, ijskelders en (kasteel)kelders. De winterslaapstrategie lijkt die van de stabiele slaper te zijn, waarbij relatief lage temperaturen verdragen worden. De winterslaap duurt van oktober tot maart of april.

Waarnemen

>

Geluid

FM signalen van 75-30 kHz. Piekfrequenties rondom 45 kHz. Pulsduur 2,5-3 ms. Pulsreeks van 90-100 ms (ca. 10-11 pulsen/sec). Reikwijdte 5-20 m.