Aardmuis

Aardmuis (© Paul van Hoof)

De aardmuis behoort tot de familie woelmuizen. Het is een grote, soms moeilijk van elkaar te onderscheiden familie, waarvan in Nederland ook de rosse woelmuis, veldmuis, woelrat en muskusrat, noordse woelmuis en ondergrondse woelmuis voorkomen. Verwarring met andere woelmuizen kan optreden.

Uiterlijke kenmerken

>

Uiterlijk

De aardmuis heeft een grijs- tot kastanjebruine vacht op zijn rug en zijn buik is (crème)grijs. De haren zijn verschillend van lengte en hebben donkere punten. De vacht maakt een ruige, borstelige indruk, ruiger dan de veldmuis. In de winter is de beharing dichter dan in de zomer. De staart is duidelijk tweekleurig en relatief kort, in ieder geval korter dan 33% van de kop-romplengte. De haren aan de onderzijde zijn licht en aan de bovenzijde donker van kleur. De oren zijn ook aan de binnenzijde bezet met lange haren. De oorschelp is meestal niet te zien omdat de haren bij het oor lang zijn. De ogen zijn donker en de snuit is vrij kort met een roze neusspiegel en lange snorharen.

Jonge dieren zijn donkergrijs en vrijwel eenkleurig. Verwarring met veldmuis en noordse woelmuis is mogelijk. Een onderscheidend kenmerk is de lengte van de staart. Deze van de aardmuis is kleiner dan 33% van de kop-romplengte; die van de veldmuis is beduidend korter en die van de noordse woelmuis beduidend langer.

 

Afmetingen

lengte kop-romp: 95-135 mm
lengte staart: 27-47 mm
gewicht: 16-55 g

Ecologie

>

Leefgebied en verspreiding

Het verspreidingsgebied van de aardmuis ligt in vrijwel geheel Europa, met uitzondering van Ierland en het grootste deel van Zuid-Europa. In de Alpen komt de aardmuis voor tot een hoogte van 1950 meter.

In Nederland komt de aardmuis vrijwel overal algemeen voor, behalve in het noordwesten waar hij iets minder algemeen is. De soort komt niet voor op Vlieland en Schiermonnikoog.

De aardmuis komt voor in allerlei soorten terreinen, bij voorkeur in vochtige en ruige terreinen met een weelderige kruidlaag zoals hoog grasland, verwilderde akkers, jonge bosaanplant, begroeid braakland, grienden, hoogveen, bosranden, vochtige heide, pijpenstrootjesvelden en moerassen. In de Alpen komt de aardmuis voor tot een hoogte van 1950 meter.

 

Leefwijze en voedsel

De aardmuis is zowel overdag als ’s nachts actief. ’s Nachts is hij iets actiever dan overdag, maar in de winter is hij juist overdag iets actiever. De aardmuis kan snel lopen en goed zwemmen, maar klimmen doet hij weinig.

De aardmuis eet voornamelijk gras en ander plantaardig voedsel, zoals stengels (vooral de sappige, onderste stengeldelen) van grassen, vruchten, bladeren, bollen, zaden en bij voedselschaarste ook bast. Af en toe eet hij ook wormen, larven, insecten en spinnen. Soms legt de aardmuis een voedselvoorraad aan, in zijn tunnelstelsels met bijvoorbeeld afgebeten plantenstengels en graszaden. De aardmuis moet zowel overdag als ‘s nachts geregeld eten. ‘s Zomers knagen aardmuizen aan takken om bij de bast te kunnen. Dan laten ze schorssnippers op de grond achter. ‘s Winters wordt ook de harde boomschors zelf gegeven. Knollen, wortels en penen worden ondergronds uitgehold.

 

Territorium en verblijfplaats

De grootte van het leefgebied van een vrouwtje is 200 tot 500 m2 en die van mannetjes 500-1000 m2. De dichtheid bedraagt meestal 100-300 per hectare, maar kan door een piek in periodieke aantal fluctuaties en in een optimaal biotoop tot 10 keer zo groot worden. In de voortplantingstijd hebben de vrouwtjes overlappende territoria. Vrouwtjes verjagen elkaar minder van hun territorium. Dominante mannetjes daarentegen kunnen zich, vooral tegen geslachtsrijpe mannetjes, agressief gedragen.
Het nest van de aardmuis is bolvormig en bevindt zich vaak bovengronds onder dekking van droge vegetatie (zoals een graspol) of stukken hout en wordt door het vrouwtje gemaakt van fijngescheurd gras. Van hieruit lopen in de strooisellaag en lage vegetatie goed verborgen bovengrondse en oppervlakkige ondergrondse gangen. Het zijn vaak uitgebreide holenstelsels.

 

Voortplanting en leeftijd

De voortplantingsperiode van de aardmuis loopt van maart-april tot september-oktober. Na een draagtijd van ongeveer 20-22 dagen, worden 3-7 jongen geboren. Bij geboorte zijn ze kaal, maar ze krijgen al snel een vacht. Enkel het vrouwtje zorgt voor de jongen. De jongen worden kaal geboren en na 10 dagen zijn ze behaard. Ze worden 2 weken gezoogd en na 2,5 weken verlaten de jongen het nest. Na ongeveer een maand zijn ze geslachtsrijp, mannetjes eerder dan vrouwtjes. Een vrouwtje krijgt 3 tot 5 keer per jaar een nest. De aardmuis wordt maximaal 1,5 jaar oud. In gevangenschap kan hij tot ruim 3 jaar oud worden.

Bedreiging en bescherming

>

Natuurlijke vijanden van de aardmuis zijn roofvogels, uilen en roofdieren zoals wezel, hermelijn, das en vos. Aardmuizen die zich vestigen in jonge aanplant van bomen, profiteren hier in eerste instantie van vanwege goede verblijfplaatsmogelijkheden en aanwezigheid van voedsel. Maar naarmate de bomen groter worden, werpen ze schaduw en sterft het gras af. Hierdoor moeten de aardmuizen nieuwe plekken koloniseren. Om de paar jaar (3 tot 5 jaar) is er een piekpopulatie, die vanzelf weer verminderd.

Waarnemen

>

Vangen

De aardmuis is vrij makkelijk te vangen met inloopvallen waarbij de soort levend wordt gevangen, de zogenaamde live-traps.

 

Braakballen

In braakballen van ransuil en kerkuil zijn vrijwel altijd schedels van aardmuizen te vinden.

 

Vraatsporen

Op bovengrondse eetplekjes zijn vaak voedselresten te vinden. Vaak zijn dit delen van kruiden en (schijn)grassen. Stengels en dunnen takjes worden tot stokjes van ongeveer 5 cm gebeten, waarbij van russen het merg overblijft. Bij voedselschaarste, vooral in de winter, knaagt de aardmuis vlak bij de grond aan jonge bomen en struiken, meestal eik en beuk, en aan ondergrondse worteldelen. De weggegeten stukjes zijn niet groter dan 5-10 cm. Op eetplaatsjes in het mos, zijn vaak grote aantallen afgebeten stengeltjes en kafjes van de sporenkapsels te vinden. In heidegebieden zijn vaak eetplaatsjes te vinden in het mos (vaak haarmos). Deze liggen vaak tussen het vrij hoge mos, onder pollen pijpenstrootje of onder andere overhangende grassoorten.

 

Uitwerpselen

Keutels van de aardmuis zijn 2-3 mm in doorsnede en 4-7 mm lang. Ze zijn helder-donkergroen tot beigebruin, afhankelijk van het gegeten voedsel. De vorm is cilindervormig met meestal stompe polen of een gepunte pool. Keutels van de aardmuis zijn te vinden op de looppaadjes en in tunneltjes in de vegetatie, vooral op kruispunten in ruige, meestal vochtige vegetatie. Ze zijn echter moeilijk van andere woelmuizen te onderscheiden.

 

Loopsporen

Loopsporen van de aardmuis zijn moeilijk te onderscheiden van de andere woelmuissoorten. Daarbij komt dat de pootafdrukken vaak onduidelijk zijn of zelfs ontbreken en vaak alleen goed te zien op een zachte slijklaag of een dunne sneeuwlaag. De voorvoet is 10 mm lang en breed en de achtervoet 12 mm lang en 13 mm breed. Net als ratten en alle andere muizen hebben aardmuizen 4 tenen aan de voorvoet en 5 aan de achtervoet. De spreiding is 30 mm, een paslengte in stap is 50 mm.
Wissels van aardmuis zijn in ruig begroeide terreinen, heidevelden en moerasgebied te vinden. Het zijn vaak vaste looppaadjes onder de vegetatie van zo’n 3 cm breed.

 

Geluid

De aardmuis is vrij luidruchtig. Hij maakt lage, kwetterende en soms knorrende geluiden, die meerlettergrepig zijn.